home
HUMANOSOFIE
IDEE
VOOR GEMEENSCHAPSZIN
Mensen hebben IETS nodig om in te geloven,
om voor te leven, m.a.w.
om hun leven ZIN te geven.
DEEL I
De vergissing van
Lyotard
De meeste mensen zullen van harte instemmen met
bovenstaande toevoeging aan het IDEE voor gemeenschapszin[1].
Maar bij heel wat filosofen gaan bij het woord gemeenschapszin of geloven stekels overeind: hier wordt
aangestuurd op een eenheidsgeloof! En hun gevoel bedriegt hen niet.
Nu is HUMANOSOFIE een bij uitstek filosofische bezigheid. Ik wil die
stekels niet.
Hoe krijg ik die weg?
Ik probeer de harde aanpak. Ik begin met het citaat
uit Het postmoderne uitgelegd [2]van
Jean-François Lyotard dat alle postmoderne filosofen onmiddellijk te binnen
schiet zodra iemand op de proppen komt met een IDEE voor een gedeeld Groot
Verhaal (om maar meteen een derde al even gruwzaam g-woord te laten
vallen!).
[De niet-postmodernistisch gepokte lezer zal het
hier volgende Lyotard-citaat al gauw koeterwaals vinden en mag het gerust laten
zitten.]
“Tenslotte moet het duidelijk zijn
dat het niet aan ons is werkelijkheid te
verschaffen, maar toespelingen op het denkbare dat niet
gepresenteerd kan worden te bedenken. En van die taak kan niet de minste
verzoening verwacht worden tussen de ‘taalspelen’ waarvan Kant, onder de naam
van vermogens, wist dat een kloof deze scheidt en dat alleen de transcendentale
illusie (die van Hegel) de hoop kan koesteren deze in een werkelijke eenheid te
totaliseren. Maar hij wist ook dat voor deze illusie de prijs van terreur
betaald moet worden. Aan terreur hebben wij in de 19e en 20e
eeuw onze portie wel gekregen. Het nostalgische verlangen naar het geheel en
het ene en ook naar de verzoening tussen het begrip en het sensibele, naar
transparantie en communicabele ervaring, hebben we duur betaald. Onder het
algemene verzoek om verslapping en luwte horen we het gemompel van het
verlangen naar een nieuw begin van de terreur, naar de voltooiing van het
fantasma de werkelijkheid te omvatten. Het antwoord is: oorlog aan het geheel,
we moeten getuigen van het onpresenteerbare, de verschillen verscherpen, de eer
van de naam redden,“ (citaat overgenomen uit Is het Grote Verhaal
verloren?[3])
Ik leg even uit. Lyotard, de aartsvader van de
postmoderne filosofie[4]
en de bedenker van het begrip ‘Groot Verhaal’, spreekt in dit citaat over “het nostalgische verlangen naar het
geheel en het ene”, en stelt onverbloemd dat zoiets als het hier door mij gepresenteerde IDEE
- indien verwerkelijkt – zal
leiden tot terreur.
Hij meent hier zo zeker van te mogen zijn omdat de
eenheids-ideologieën van de 19e en de 20ste eeuw tot
terreur geleid hebben.
Laat u nu niet meteen intimideren door deze dreigende woorden. Ik ga u laten zien dat Lyotard zich vergist heeft en dat zoiets als het hier te presenteren IDEE vandaag met geen mogelijkheid tot terreur zou kúnnen leiden.
Ik doe dit omstandig, in een drietrapsraket. Met
het IDEE VOOR
GEMEENSCHAPSZIN als laatste trap.
Het onderhavige DEEL I, “De vergissing van Lyotard”
is een onmisbare inleiding. Gevolgd door DEEL II: “Ons
Ontstaansverhaal”: al even onmisbaar als grondslag van DEEL III: het IDEE voor een nieuw,
universeel-menselijk Groot Verhaal.
OK. We gaan
nu verder met Lyotard. Ik moet aannemelijk maken dat een nieuw Groot Verhaal
voortaan met geen mogelijkheid meer tot terreur zou kúnnen leiden. Daartoe begin ik met iets te
vertellen over collectivisme.
collectivisme
Dat is de
gedachte dat het individu ondergeschikt is aan het collectief en dat het heil
voor het individu gelegen is in het collectief. De gedachte dus dat het in ’t
belang van het individu is om zijn leven dienstbaar te maken aan het
collectief. Dat het individu dán pas goed leeft indien het zich opoffert
voor, zijn leven in dienst stelt van, zelfs zijn leven geeft aan het
collectief. Indien het, zoals een soldaat, blindelings gehoorzaamt aan de
orders van bovenaf en strijdt en desgevraagd sterft op het veld van eer[5].
Hiermee
komen je al meteen de Grote Verhalen van het monotheïsme, het fascisme en het
communisme, en nationalisme voor de geest. Nou, en dat die tot terreur geleid
hebben in de afgelopen eeuw en, wat het monotheïsme betreft, ook in onze dagen
nog steeds leiden (denk aan 9-11, of aan de zelfmoordaanslagen in Bagdad), is
duidelijk zat.
Hoe komt
dat toch? Wat is het wat nationalisme of fascisme of monotheïstisch
fundamentalisme onherroepelijk op terreur laat uitdraaien?
Dat een
individu minder waard is dan een hele gemeenschap voel je met je klompen aan.
Wanneer zich een (vrijwel onvoorstelbare) situatie voor doet dat een hele
gemeenschap gaat verongelukken tenzij één individu zich opoffert, dan zullen de
meeste individuen niet aarzelen zich op te offeren. Het betreft dus een ultiem
menselijk gevoel[6].
De
terreur gaat pas spelen wanneer dit gevoel tot een –isme wordt gemaakt, tot
doctrine. Want het zijn onveranderlijk despotische figuren die dan de woord- en
gezagvoerders zijn van het collectief. Despoten kunnen overigens best
goedwillende mensen zijn[7],
maar ze worden gekozen door een groep en moeten beantwoorden aan de privé-eisen
van die groep. Die groep heeft macht. En macht corrumpeert
altijd. Corrumpeert zeker de trawanten waar de despoot op steunt. Daarom dus
draaien dat soort Grote Verhalen onvermijdelijk uit op terreur.
Bij mijn
beschrijving van het collectivisme hebt u wellicht al het stamgevoel
herkend waarmee mensen die nog in stamverband leven of die uit zo’n cultuur
afkomstig zijn, mee behept zijn. Wij denken hierbij onmiddellijk aan de
moslims. En inderdaad, dat gevoel is oermenselijk; het spruit voort uit onze
hypersociale natuur. Wij, westerse mensen, hebben een christelijke beschaving
doorgemaakt die ons al voor een deel geïndividualiseerd heeft: heeft onze stam-
of clanloyaliteit verplaatst naar die aan een Hogere Macht, aan God. En waarom
is Allah daar dan niet in geslaagd? Daar is het oppervlakkige, het op ‘t volgen
van regels gerichte karakter van de Islam debet. Allah is meer in de uiterlijke
onderworpenheid van het individu gericht dan op wat er innerlijk in omgaat.
De vrije
markt heeft de westerse mens nog verder geïndividualiseerd en al
grotendeels ‘van God los’ gemaakt. Die individualisering is zelfs danig aan het
doorschieten, steeds meer westerse individuen verliezen ook hun gemeenschapszin
en worden nihilistisch, en gedragen zich er. Vooral jongeren. Dat tij moeten we
zo gauw mogelijk keren met een nieuw Groot Verhaal, dat onze loyaliteit op het
menszijn, op de mensheid, op de mensengemeenschap richt.
Waar dit
paragraafje over gaat is het collectivisme als –isme, als filosofische
stroming.
De
gedachte van het collectivisme is een reactie op de door de
Verlichtingsdenkers gepropageerde individuele vrijheid: het zich vrij denken
van de geestesdwang van de kerken. In het beginnende kapitalisme had die nieuwe
denkvrijheid bepaald nog geen echte vrijheid opgeleverd. “De mens wordt vrij
geboren en overal ligt hij in ketenen geboeid”, hoonde Rousseau, de
filosofische vader van de Romantiek. De Romantiek is in wezen een reactionaire
stroming; de veelgehoorde opvatting dat het collectivisme een product
zou zijn van het Verlichtingsdenken, is een gotspe ; het is het product
van de reactie op het Verlichtingsdenken, dus van de Romantiek.
De mens
zou zichzelf alleen uit die ketenen kunnen bevrijden, zo schreef Rousseau in Du
contrat social (1762), indien hij
zich zou onderwerpen aan de rechtmatige heerschappij van een
‘gemeenschappelijke wil’. Die ‘gemeenschappelijke wil’, belichaamd in het
volk, kiest het individu dan in vrije meerderheid van stemmen. De wetten
komen in de volksvergadering tot stand. Mooi toch?
Rousseau
heeft de Franse revolutie niet meer mee hoeven maken, maar de grondwet ervan
werd op zijn Du contrat social gebaseerd. Zijn goedbedoelde eis van onvoorwaardelijke
ondergeschiktheid van het individu aan ‘de gemeenschappelijke wil’ leidde onder
de Jacobijnen tot de onvermijdelijke terreur, teneinde die goedbedoelde ‘wil’
aan de onwillige rijken - of aan vrijheidlievende intellectuelen zoals Rousseau
er een geweest was !- op te leggen. Aan deze terreur kwam dan ook al gauw een
bloedig einde.
Toch
bleef de gedachte, hoe ondemocratisch ook, onder veel goedbedoelende denkers
leven. Vooral onder de Duitse denkers als Fichte en Hegel. Het gaat hier nu
even niet over hun denken over de logica en de dialectiek, noch zozeer over hun
zijnsleer. Maar over hun gefilosofeer over de mens en de menselijke geest.
Vooral in de ‘antropologische’ bespiegelingen van de door Lyotard aangehaalde
Hegel.
In deze
bespiegelingen is de menselijke geest drieërlei. De laagste trap is de subjectieve
geest, het zelfbewustzijn. De objectieve geest is het rijk van het gezin
en de maatschappij. Volkomen dialectisch-verantwoord verheft zich boven beide
de Absolute Geest: die van kunst, religie en filosofie. In deze volgorde
van belangrijkheid!
Voor Hegel heeft het bestaan van het individu op zich geen waarde; die krijgt het pas door zijn plaats in de Absolute Geest, belichaamd in de staat. In zijn geschiedfilosofie personifieert Hegel de ontwikkeling van de mensheid als de Wereldgeest, die via grote historische persoonlijkheden als Alexander de Grote, Caesar en Napoleon telkens een stap hoger stijgt naar de geestelijke vrijheid van de mensheid. In zijn ogen was het natuurlijk zijn Pruisen dat de Wereldgeest toen het best belichaamde. (Eigenlijk vooral zijn eigen filosofie, immers de synthese waarin alle voorafgaande denken was opgenomen!). Maar uiteindelijk zouden alle mensen in de Wereldgeest worden opgenomen en de heilsstaat deelachtig worden.
Hegels
denken heeft enorme invloed gehad in de filosofie. Vooral de
heilsstaat-idee. In linkse richting
mondde deze uit in Marx’ socialistische perspectief, dat alle middelen heiligde
om het te verwerkelijken. Ter rechterzijde kreeg het ook de nodige
heilsstaat-invullingen, van de zweverige van de theosofen tot de fascistische
van Hitler. Maar eigenlijk was al het denken rond 1900 doordrenkt van een
anti-democratisch cultuurpessimisme en van de gedachte dat het individu het
beste af was in een dictatuur van het goede. Een dictatuur van een Sterke Man
die het goede zou nastreven. De utopie op zijn smalst.
Waarom
moet dat toch altijd faliekant aflopen: alle macht in één hand?
Omdat macht
altijd en iedereen corrumpeert. Dat ligt besloten in de menselijke natuur. Die
is geneigd tot het goede – tenminste, zolang er geen macht (van de ene
mens over de andere, dus sociale ongelijkheid) gaat meespelen.
Lyotard
is in het citaat vooral aan het afrekenen met het collectivistische
gedachtegoed van de 19e eeuwse filosofen. Aan het afrekenen met het
oude idee van een doel in de geschiedenis[8],
de “transcendentale illusie (van Hegel)”.
Aan het
afrekenen ook met alle op eenheid gerichte doctrines - en met alle eventuele
nieuwe pogingen tot zoiets.
Hiermee heeft
Lyotard evenwel een nieuwe, het verder-denken blokkerende, doctrine in
het leven geroepen.
Daar moeten de postmoderne filosofen toch even bij stil willen staan.
Er moet
mij ook iets van het hart over het koeterwaals waarin een en ander vervat wordt
- ik heb vrijwel geen letter van Lyotards boeken gelezen heb; alleen veel óver
hem[9].
Vanwaar die esoterische filosofentaal, waarbij je maar moet zien te raden wat
de schrijver bedoelt en waar met name Duitse en Franse filosofen zich op lijken
toe te leggen[10] – ik denk
aan Sloterdijk- ? Geef mij maar Amerikaanse filosofen.
Ik
wantrouw die ondemocratische esoterie, dat verbale geweld: het kan te
gemakkelijk onwetendheid maskeren. Wat weet zo’n man als Lyotard nou
bijvoorbeeld over de menselijke natuur, in het licht waarvan de hele materie
van het Grote Verhaal toch moet worden bezien?
de menselijke natuur
Die is
pas echt drieërlei.
In de
eerste plaats zijn mensen een vorm van leven zoals dat 3.5 miljard jaar
geleden op Aarde[11] met het
eerste proto-RNA tot leven kwam. Levensvormen halen hun energie voor het in
leven blijven en zich voortplanten uit hun omgeving, in concurrentie met
levensvormen die uit dezelfde bron putten. Dat heeft ons met een diepgewortelde
en ultieme zelfzuchtige neiging behept. De neiging die zich van alle dieren en
ook van ons meester maakt in panieksituaties. Dat is de ikke-ikke-natuur.
In de
tweede plaats zijn we groepsdieren : een hogere levensvorm. Groepsdieren
zijn als groep sterker in het zorgen voor de energie om in leven te blijven en
zich voort te planten dan in hun eentje. Maar wil hun groep sterk genoeg zijn,
dienen de individuen een deel van hun zelfzucht in te leveren ten behoeve van
de groepsharmonie. Groepsdieren hebben dus met twee tegenstrijdige neigingen te
kampen en dat regelen ze met cultuur, met 'normen en waarden'[12].
Twee tegenstrijdige zielen in hun borst, die ook wij kennen, onder de noemers goed en kwaad. Of God en duivel. Sociaal
contra aso. Als groepsdieren erfden wij naast de ikke-ikke-natuur de
sociale natuur.
Maar we
hebben er een derde laag bovenop
gebouwd: wij zijn groepsdieren die, heel uniek voor een dier, de dingen noemen.
Onze mensapenlijke voorouders kwamen in gedwongen hechte groepen te leven en
zijn daardoor als groepsdieren ook in dat sociale ‘professionals’ geworden. Het
zijn ‘talige’ wezens geworden. Ze zijn hypersociaal geworden.
Hoe onze vroege voorouders ‘talige wezens’ geworden zijn kunt u lezen in DEEL II.
Een woord
is pas een woord als je medemensen begrijpen wat het betekent. De taal is de
gemeenschapszee waarin wij rondzwemmen. De Franse filosoof Paul Ricoeur[13]
(bij wie Lyotard gepromoveerd is) wijst er op dat wij zelfs onze eigen
gedachten niet zouden begrijpen als we ons buiten die zee zouden begeven.
De leefwijze van onze vroege voorouders heeft ons hypersociaal
van nature doen worden. 99,5 % van ons bestaan als aparte soort hebben we
geleefd als VJ’s (verzamelaars/jagers) en waren we, zoals we aan de
weinige tot vandaag overlevende VJ-volkjes kunnen zien, gelukkig.
[Zie verder Deel II]
Dat we van
dat geluk vandaag weinig aan de dag leggen, is allemaal het gevolg van
het feit dat we in een, historisch gezien recente, situatie van overpopulatie
[idem] zijn komen te verkeren, met overlevingsgevechten, machisme, maar ook
tuinbouw en vervolgens landbouw als gevolg. We zijn AGR’s (boeren)
geworden.[zie verder Deel II]
Dit heeft frustratie van die hypersociale
natuur met zich meegebracht: we zijn in een toestand van ongelijkheid en
onderdrukking, van slavernij zelfs, terechtgekomen.[idem] In een
‘concentratiekamp’-situatie zeg maar, vooral in het begin van onze
beschavingstijd.[zie verder Deel II]
Een concentratiekamp-situatie brengt in mensen
gemakkelijk het ‘kwade’ (het ‘ikke-ikke’-gedrag) naar boven.
Maar
vijfduizend jaar is een te korte tijd om onze in miljoenen jaren opgebouwde VJ-natuur
te veranderen. Vandaar dat wij nog steeds balen van zinloos geweld, en dat wij
dit gedrag in onze kinderen niet toejuichen.
(Wat we
wél zouden doen wanneer we van nature woeste barbaren waren zoals een
filosoof als Kinneging niet moede wordt uit te kramen). En dat we blijven
verlangen naar het verloren VJ-geluk.
Filosofen
weten echt niets over de menselijke natuur, in het licht waarvan de hele
materie over het Grote Verhaal toch moet worden bezien. Dat ze daar geen zicht
op hebben, komt omdat ze zich alleen met hun eigen discipline bezig houden:
hebben ze hun handen al vol aan. Niettemin ventileren ze in hun beschouwingen
aan de lopende band opvattingen over de menselijke natuur. Ze beroepen zich daarbij
op oude connotaties of common sense. Opvattingen waar de meeste huidige
antropologen en ethologen inmiddels van gruwen. Maar ook die hebben hun handen
vol binnen hun eigen vakgebied …
Ook
Lyotard doet[14] geen enkele
poging om op wetenschappelijke manier de menselijke natuur in kaart te
brengen. Erger is dat hij ook niet
begrijpt dat de Westerse mensen vandaag in een historisch nieuwe situatie leven.
Een situatie – daar ga ik het nu over hebben –
waarin zijn opvatting wat een eenheids-doctrine voor de hedendaagse
mensheid betreft, niet meer op gaat.
Ik wil
eerst nog even benadrukken dat wat het IDEE beoogt, bepaald géén doctrine
(leer) is! Een leer is een afgeronde visie, terwijl het beoogde nieuwe Grote
Verhaal een project is, gebaseerd op de wetenschappen. En die houden
nooit op. Dus ook het project van de Humanosofie niet. En iedereen wordt van
harte uitgenodigd om er aan mee te werken.
mensbeeld,
zelfbeeld
Hoe wij
ons voelen en hoe we tegen onze medemensen aankijken wordt enorm bepaald door
hoe we tegen onszelf aankijken. Onze hersenen werken de hele dag door; de
meeste uren op halve kracht en in de slaap zelfs ongecoördineerd, maar het is
toch een voortdurende stroom van denkbeelden en veel ervan zijn zelfbeelden
temidden van onze leefwereldbeelden. Ze bepalen onze gemoedstoestand[15],
ons al dan niet welbevinden.
Voor
het vórmen van onze denkbeelden, ook voor dat van ons zelfbeeld, zijn we
afhankelijk van wat de omgeving ons aanreikt om ons mee te identificeren – want
dat ‘vormen’ doe je door jezelf in de plaats van die ander te denken. Voor het
kind zijn dat de ouders en hún omgeving. Daar komen weldra de straat en het
onderwijs bij.
Ook
heel bepalend is het Verhaal dat in je samenleving heerst. Dat zet je de bril
op waardoor je de dingen en mensen beziet.[16]
Als je
ter wereld komt, heb je niets te kiezen gehad. Niet eens de zoogdiersoort van
je ouders. Niet of je een meisje dan wel een jongetje bent geworden. Niet in
welke cultuur je ouders leven. Niet de opleidingsgraad van je ouders of in
welke buurt ze wonen. Niet eens in welk tijdperk van de geschiedenis je ter
wereld komt.
Heel
bepalende factoren voor je levensgeluk allemaal. Wanneer je vandaag als meisje
in een VJ-samenleving terecht komt (kán nog steeds), staat je een
gelukkig leven te wachten. Wanneer je daarentegen vandaag als meisje in een
door monotheïsme beheerste cultuur ter wereld komt, staat je een leven van
ondergeschiktheid of zelfs slavernij te wachten. Heel bepalend voor je
zelfbeeld is ook of je in een individualistische cultuur als de Amerikaanse of
een collectivistische cultuur als de Japanse ter wereld komt. Als je ouders
patjepeejers zijn word je zelf ook een patjepeejer, reken maar. Je hebt verdomd
weinig te kiezen in het leven.
En je
denkbeelden zijn navenant.
Voor een
bevredigend zelfbeeld moet je weten waar je vandaan komt, wat je plaats in het
grote geheel der dingen is en waar het allemaal, inclusief jezelf, toe dient.
Sinds historische tijden: de laatste 0,5 % van ons menszijn – na de
VJ-prehistorie, 99,5 % van ons voorouderlijke menszijn! – waren het de
patriarchale kringen die het Grote Verhaal te vertellen hadden.
Wat onze
Westerse cultuur betreft waren het de kerken die vorm hadden mogen geven aan
het zelfbeeld van de mensen en die ons de bril hadden opgezet[17]
waardoor de mensen naar de dingen en de mens en zichzelf keken.
Volgens
het christelijke Verhaal ligt onze herkomst in de schepping door God, en onze
toekomst in de eeuwige zaligheid. Deze zal je deelachtig worden in de hemel,
áls je braaf doet wat degenen die boven je gesteld zijn, zeggen. En als je afziet van genot tijdens je aardse
leven.
Het
kerkelijke materiaal voor je zelfbeeld is een ontmoedigend mensbeeld: voor het
in ’t gareel houden van de mensen werkt dat het best. Volgens dat ontmoedigende
beeld is de mens geneigd tot alle kwaad en hangt het van Gods genade af of het
toch nog wat zal worden met die eeuwige zaligheid.
de vrije markt
In de
zestiger jaren kreeg de vrije markt de beschikking over het massa-medium
televisie. En vanaf toen begon er veel te veranderen in de
Westerse wereld. Vooral wat betreft ons zelfbeeld.
Televisie
is met haar bewegende beelden en superbe schijn van werkelijkheid een ongemeen
intrigerend medium waar je je ogen moeilijk van af kunt houden. De koopman
prijst zijn waren aan door deze aantrekkelijk af te beelden. Liefst ook binnen
een ‘verhaaltje’, een aantrekkelijk tafereel, omlijst met suggestieve muziek,
waarin de klant de waar gebruikt ziet worden. Hij ziet de waar gebruikt worden
door een personage waar hij zich graag mee identificeert: een personage dat een
opgewekte, vrije, knappe en aardige consument verbeeldt.
Hiermee
nu drong de vrije markt vanaf de jaren zestig door in alle huis-
en bovenkamers, zelfs (of juist) in de nederigste. Het medium was vele malen
sterker dan het klokgelui en de jaarvullende rituelen van de kerken. Het was er namelijk elke dag en in iéders
vrije tijd. Het was er in alle Westerse landen, overal waar de vrije markt
heerst.
Ze
(‘markt’=vr.) presenteert in haar reclames en shows dus een mensbeeld
ter identificatie. Maar wel: háár mensbeeld. Een mensbeeld dat ‘werkt’
voor de presentatie van het product.
Het aan
de mensen aanreiken van een mensbeeld ter identificatie was, zoals ik zei, tot op dat moment in de geschiedenis het
privilege van de patriarchale kringen, de kerken, geweest.
Waarom
heeft de vrije markt in haar reclames niet gewoon het christelijke mensbeeld
overgenomen?
Dat beeld
van die zondige en van Gods genade afhankelijke mens? Daar kan de vrije
markt echt niets mee. Ze kan om te beginnen niets met godsdienstige of
politieke of regionale scheidslijnen tussen de mensen. Wanneer ze die
‘meeneemt‘ in haar reclames, verkleinen die de markt immers: de kijkers van een
ander geloof of een andere politieke opvatting identificeren zich dan niet met
zo’n ‘fout’ mensbeeld en kopen niet. Dus onthoudt de adverteerder zich
angstvallig van iedere godsdienstige of politieke of regionale of andere
scheidslijnen-aanbrengende verwijzing. Hij is daar gek! de reclamespot kost
klauwen met geld[18].
De vrije
markt kan sowieso niets met een godvrezende en onthechte gelovige. De
mensen moeten juist in volle vrijheid verlangen naar alle genotsmiddelen die
zij in de aanbieding heeft.
Ze kan
niets met scheidslijnen, niet tussen man en vrouw, niet tussen rijk en arm,
niet tussen volwassene en kind, niet tussen intelligent en dom, niet tussen
adel en plebs, niet tussen stad en platteland, zelfs niet tussen landen of
culturen. De vrije markt schakelt alles en iedereen gelijk.
Maar ze
kan vooral niets met scheidslijnen tussen geloven of politieke partijen. Ze
presenteert derhalve consequent een gelijkgeschakelde a-religieuze,
a-politieke, vrouw- en kindvriendelijke, aardige[19],
op spullen azende consument ter identificatie. En dat doet ze niet weloverwogen
of ideologisch, dat doet ze domweg. Ze doet het massaal, want ze is niet
iemand, ze is ook geen groep of klasse, ze is een economisch mechanisme. Een
dom mechanisme wat niemand in de hand heeft en waar hooguit aan bij te sturen
valt.
Dat
heeft op een door niemand bedoelde of voorziene manier gewerkt.
Beter dan
de filosofen en zelfs de sociologen[20]
hadden de dominees van de ‘bijbelbelt’ dat in de gaten. Ze verboden hun gelovigen
om zo’n duivels ding in huis te halen. Maar de jongeren willen modern zijn en
willen niet als achterlijke dorpsdebielen hun leven laten uitstippelen, ze
willen ‘met de tijd mee’. En datzelfde geldt voor islamjongeren[21].
De
economie heeft altijd al het denken bepaald en dat doet ze vandaag nog steeds.
Welnu, de
aan godsdienst inherente onderdrukking van lusten en geneugten spoort in het
geheel niet met het hedonistische karakter van de vrije markt-economie,
het consumentisme.
De
kerken begonnen aan een onstuitbare leegloop; de zondige van Gods genade
afhankelijke mens verdween door de achterdeur[22].
Ook andere oude verbanden zoals politieke partijen, vakbonden, verenigingen liepen
leeg, de mensen werden vrij en individualistisch.
Vrij ook
in politieke zin: de gelijkschakelende werking die uitging van deze massa-beïnvloeding
- waarop je niemand kunt aanspreken - deed de oude regentenklasse verdwijnen.
De kerken verloren hun aloude sponsors en boetten zo ook nog aan
maatschappelijke status in.
Ook met standsverschillen kan de vrije markt niets. ‘Ons soort mensen’ bestaat niet meer. Jan
met de Pet is Jan Modaal geworden en verburgerlijkt. En zo moet het ook gaan.
Een historisch nieuwe situatie. Een
vijfduizend jaar lange geschiedenis van godsdienstgestuurde en politioneel
bewaakte klassenmaatschappijen met een kleine elite en een machteloze
massa kwam in het Westen door de vrije markt aan
zijn einde. Een heersende klasse kenmerkt
zich altijd en overal door geheime politie, persbreidel en goelags. Die kent de
Westerse samenleving, als eerste in die vijfduizend jaar oude
klassenmaatschappij-geschiedenis, niet meer. Wel een machtige economische
elite, maar die wordt door een voldoende sterke overheid, gestut door
democratische betrokkenheid van de burgers, in bedwang gehouden.
Net zo min als tot de sociologen wil dit besef tot
de filosofen doordringen. Lyotard denkt dat het collectivistische gedachtegoed
nog steeds het denken van deze tijd beheerst en telkens opnieuw de kop kan
opsteken. Misschien denkt hij zelfs dat hij het is geweest die deze draak
verslagen heeft, blind als hij lijkt te zijn voor de marktwerking en het
consumentisme. It’s the
economy, stupid[23]. We
stonden er bij en we keken er naar. Sociologen en filosofen incluis. We zagen
hoe de kerken vanzelf aan hun leegloop begonnen en dat ze bléven leeglopen tot
op de dag van vandaag.
Wat de filosofen, zonder een juist beeld van de
menselijke natuur, ook niet zien is dat mensen zonder een gedeeld Verhaal niet
goed kunnen samenleven. Dus dat ze – minstens de wijsgerig-antropologen - de handen uit hun mouwen dienen te steken.
Laat ze dan vooral eerst DEEL II lezen.
Wat de democratische betrokkenheid van de burgers
betreft: aan democratie moet, net als aan een huwelijk, voortdurend gewerkt
worden. Welnu, daar draagt een nieuw en universeel Basisverhaal een behoorlijke
steen aan bij. Want het geeft ons samenleven weer een doel (‘zin’): het gelukkig
maken van elkaar.
We krijgen het er nog over in DEEL II maar dat
“gelukkig maken van elkaar” vraagt om onmiddellijke adstructie.
Geluk kent, opgaande met onze
natuur, drie gradaties.
Ten diepste zijn wij een vorm van leven zoals het 3,5 miljard jaar geleden op Aarde
ontstond. Dat draait om in leven blijven en zich voortplanten. Wanneer wij dit
in ons leven kunnen realiseren, is aan de eerste voorwaarde voor ons geluk
voldaan.
Maar we zijn groepsdieren, voor wie daarnaast de
opperste harmonie binnen hun groep een extra voorwaarde voor geluk is.
Dus ook: ervaren van die harmonie en er aan kunnen bijdragen maakt ons
gelukkig: voor een groepsdier betekent echt geluk gedeeld geluk.
Voor hypersociale groepsdieren als wij zijn, geldt
dat laatste in extremo. Voor
mensen schuilt geluk in het (gevoel van het) van betekenis zijn. Maakt
niet uit of het voor je naasten is of voor de hele samenleving: het geeft je
een goed gevoel. Het gevoel dat je er zijn mag. Het genereert ‘t broodnodige
gevoel van bevestiging. Het gevoel dat je van betekenis bent, en dat wat je
doet, verschil maakt.
Het consumentisme komt prima tegemoet aan de eerste
voorwaarde: het ‘ikke-ikke’-geluk[24].
Maar het kan niets doen aan het laatste, het ultieme menselijke geluk. De
consument krijgt van de vrije markt niet
mee waar zijn echte menselijke geluk in schuilt. De vrije markt is geen filosoof. Het is niet eens een mens. Het
is niet meer dan het paard voor onze wagen. We moeten het paard goed
onderhouden, en het klopjes geven. Maar we moeten het wel strak aan de teugel
houden, anders sleurt het ons naar de verdommenis[25].
Tot de zestiger jaren was het aan de kerken om voor
ons in te vullen waar ons menselijke geluk in gelegen was. Nou, daar werd je niet echt blij
van: geluk was voor na je dood! áls je tenminste … Hun boodschap spoort sindsdien van geen
kanten meer met onze dagelijkse beleving. Dus is er een gat aan het vallen.
Voor het helder maken van waar ons geluk in gelegen is, zullen filosofen
aan de slag moeten. Het zou op z’n minst één tak van de filosofie – ik denk aan
de wijsgerige antropologie – of van één discipline van de Universiteit voor
Humanistiek moeten zijn.
Het is de vergissing van Lyotard die onze
wijsgerig-antropologen en humanisten van het werk houdt.
De vergissing is, samenvattend, het niet inzien dat
mensen niet goed kunnen samenleven zónder een Groot Verhaal; omdat zij daar
99,5 % van de tijd dat zij mensen zijn, hun wereld en hun samenleven mee hebben
beleefd [zie verder DEEL II].
En vervolgens: het niet inzien dat het beoogde
nieuwe, universele en dus eenheidsbevorderende, Basisverhaal niet meer tot
terreur kan leiden door de aard van de nieuwe situatie waarin de Westerse
mensen (de enigen die verlost zijn van hun oude, onderdrukkende Grote Verhaal)
zijn komen te leven. De Westerse mensen hebben geen heersende klasse meer die
het hen zou kunnen opleggen. Ze zijn ook geen te overheersen massa meer; ze
zijn vrije consumenten die zich niets laten opleggen of gezeggen; voor
wie te dringende aanbevelingen voor gezond eten en drinken[26]
al te ver gaan en voor wie zelfs een flitspaal, toch voor eigen veiligheid, al
een te grote inperking van de vrijheid is.
Lyotards vergissing komt ook voort uit het niet
inzien dat de westerse mens in een historisch nieuwe situatie leeft. Het
verdampen van de oude Grote Verhalen had hem toch een teken moeten zijn. Daar
heeft zijn denken nul komma nul aan bij gedragen; het heeft alleen de filosofen
verhinderd, eens goed over hun pakkie-an na te denken.
conclusie en oproep
Heb ik nu de vergissing van Lyotard afdoende
aangetoond?
Voor ik kan verder gaan met de presentatie van mijn
IDEE VOOR
GEMEENSCHAPSZIN moet ik dat wel even van u weten.
-
de vaststelling dat onze consumentenmaatschappij de
eerste sinds vijfduizend jaar is die geen klassenmaatschappij meer is. Leve de vrije markt dus, laat die maar lekker globaliserend
doorwerken, de moskeeën, synagogen en tempels leeg laten lopen en ook daar de
mensen bevrijden uit hun keurslijf van ‘oude vormen en gedachten’. Ze worden
er, net als wij, echt gelukkiger[27]
van (Zie het geluksonderzoek van Ruut Veenhoven, Erasmus Univ.)
-
de mentaliteitsverandering die de vrije markt heeft teweeg gebracht. De mensen zijn vrij en
mondig geworden, laten zich niets meer gezeggen. Een geloofsprediker kan
misschien nog makkelijker dan vroeger aanhangers verwerven, maar zijn geloof
kan niet meer van bovenaf door een elite opgelegd worden (er is niet eens meer
een elite; ook topmanagers vliegen - met een gouden handdruk - de laan uit als
ze in de ogen der aandeelhouders niet presteren)
-
de wenselijkheid en haalbaarheid van een nieuwe
opvulling van de grote vragen van de mensen: wie en hoe wij zijn en waar het
met ons en ons samenleven naar toe moet. In de vorm van het Westerse Scheppingsverhaal.
Niet als een ideologie op te leggen, maar marktconform aan te
bieden, beschikbaar te stellen voor wie er behoefte aan heeft. Nou, en dat is
een groeimarkt!
Teken het gastenboek: http://www.mens2000.nl/gastenboek
Graag reageren op http://weblog.humanosofie.nl
[1] een goed overzicht over de
ideeënvorming in het afgelopen decennium onder de publieke intellectuelen vind
ik in Sjaak Koenis Het verlangen naar gemeenschap (Van Gennip, 1997)
[2]
Jean-François Lyotard Het
postmoderne uitgelegd aan onze kinderen. Kampen, 1987 pp 24/5
[3] Patrich Chatelion Cournet en
Erik Eynikel (red.) Is het Grote Verhaal verloren? (Kok-Kampen, 1997)
[4] waarbij moet worden
aangetekend dat hij zich nu in zijn graf omdraait! Hij baalde ervan dat hij
sinds dat onwillig geschreven La condition postmoderne (1979) werd
‘opgehangen’ aan dat begrip postmodern. Vond hij zelf een slechte
term: de kritiek op de moderniteit
met haar idee van een doel in de geschiedenis en haar uitzicht op een
heilsstaat is, zo benadrukte hij, al in moderne tijd tot ontwikkeling is
gekomen. Niettemin: wel goed dat die kritiek door het begrip postmoderniteit extra nadruk krijgt
[5] oei! dat woord EER…pas daar voor op; als je dat ziet is er
meestal stront aan de knikker; maffiosi kennen EER, en stammenkrijgers kennen
EER; het heeft bijna altijd te maken met oorlog, misdaad en
vrouwenonderdrukking; vrouwvijandige gemeenschappen houden hun vrouwen onder de
duim met EER
[6] ingegeven door welbegrepen eigenbelang; want ook als het individu
zich in zo’n (denkbeeldige) situatie niet opoffert, verongelukt het sowieso met
de hele gemeenschap; het opofferen schenkt bevrediging van het diepe verlangen,
van betekenis te zijn of geweest te zijn
[7] het zijn leiders, en
je wordt niet zomaar leider; je wordt alleen leider als anderen je tot
leider kiezen; en ze kiezen gewoon de béste uit hun midden (hangt veel af van
wat het doel van de kiezende groep is natuurlijk); maar evenwichtigheid,
zelfverzekerdheid gepaard aan een zekere bescheidenheid, en vooral charisma
zijn absolute vereisten ; dat kunnen we al leren van de mensapen (dus van Frans
de Waal Chimpansee politiek)
[8] op zo’n idee zul je mij niet
kunnen betrappen; mensen zijn gewoon een speling van de natuur en speciale
omstandigheden daarin; onze vroegste voorouders zijn een bepaald pad opgegaan
waarvan geen terugkeer mogelijk is; we kunnen alleen leren van onze ervaringen;
leren steeds beter om te gaan met de steeds veranderende omstandigheden. That’s
it
[9] bijv. in Filosofie
Magazine, met name FM nov.’93 waarin hij zelf aan het woord is en zijn
boeken bespreekt: nu wél in begrijpelijke taal!
[10] terecht dat daar door Bricmont en Sokal de draak mee is gestoken,
in Impostures Intellectuelles (1997)
[11] dat kleine blauwe planeetje is
het enige waar wij ons bestaan aan te danken hebben en waarop wij kunnen
floreren; dus met een HOOFDLETTER, ja?
[12] in Chimpansee Politiek en Van nature goed van Frans de Waal komt daar menig staaltje
van naar voren
[13] Paul Ricoeur (1913-2005)
hermeneutisch fenomenoloog, oa Soi-même comme un autre (1990)
[14] hij is in 1998 overleden,
maar zijn gedachtegoed leeft nog sterk in de filosofie
[15] ik hoef maar even te
refereren aan depressiviteit en
je weet al genoeg
[16] Meerten ter Borg behandelt
dit goed in Zineconomie (Scriptum,
2003).
[17] denk nog even aan ‘kerkvorst’ kardinaal Van Roey!
[18] het sterkste voorbeeld vind
ik nog altijd Piet Derksen, de oprichter van de Centerparcs én
fundamentalistisch katholiek. Zelfs Derksen onthield zich in de reclame voor zijn
parken zorgvuldig van iedere verwijzing naar zijn geloof! Hij was daar gek
[19] en daarin blijkt eens te
meer dat ’de mens’ van nature aardig is; nogal wiedes is de mens
‘volgens zijn aard’: dat is ieder beestje; maar kun je die aard dan ‘goed’
noemen, als er zoveel rottigheid door mensen wordt bedreven? Ja hoor. Gaan we
allemaal zien in DEEL II
[20] de Amsterdamse socioloog J.Goudsblom in interview Haagse Post 2004: “Een verklaring voor de veranderingen in de jaren zestig? Ik weet het niet. Ik ben geneigd aan te nemen dat niemand het weet. Er zijn natuurlijk allerlei deelverklaringen: bevolkingsexplosie, welvaartsstijging, H-bom, massificatie, automatisering, gezinscrisis, opkomst van de derde wereld, generatieconflict, consumptiemaatschappij en noem maar op. Geen van deze verklaringen is onjuist en geen is volledig. De historici zullen later beweren dat in de jaren zestig de tijd rijp was voor de veranderingen … .” Hopelijk zullen ze dan eindelijk de echte verklaring: de werking van de televisie, het aangeboden krijgen van een nieuw mensbeeld ter identificatie, beseffen
[21] alleen zijn die kansarmer en
daardoor gefrustreerd en een gemakkelijk doelwit voor een islamismezendeling
die hen in één klap een meerderwaardigheidsgevoel kan verschaffen
[22] het gebeurde niet onmiddellijk; de ouderen hadden hun zelfbeeld
al rond; ze stonden dus minder open voor een nieuw zelfbeeld en bleven trouwe
kerkgangers; het zijn de jongeren die nog volop bezig zijn met het vormen van
hun zelfbeeld en die zich makkelijk identificeren met een nieuwe mode of nieuwe
gedragingen
[23] een notitie op het briefje
voor Bill Clinton van zijn campagnestrateeg, in 1992
[24] het schoolvoorbeeld hiervan
levert het huidige gedrag van de grootverdieners in de publieke sector; nu er
geen Groot Verhaal meer heerst in onze samenleving dat duidelijk maakt waartoe
we samenleven, krijgen de mensen steeds
meer het gevoel NIX meer met elkaar te maken te hebben en dat het doel wordt:
ieder voor zich ! graaien wat je kunt! Nou, en daar zijn de grootverdieners nou
juist goed in. En doen waar je goed in bent, genereert ook geluk. Ja,
maar het is wel bedreigd geluk: ze moeten lijfwachten en in een bewaakte compound
wonen; en hachelijk: met een kerende
economie of een verkeerde belegging ben je alles zo weer kwijt. Hoe meer geld,
hoe meer zorg.
[25] gelukkig zijn échte top-mensen, net als echte top-wetenschappers,
ook heel vaak échte mensen
[26] genotmiddelen staan echt genieten in de weg en maken meer kapot
dan je lief is
[27] gelukkiger dan je bent in een klassenmaatschappij, dus onderdrukt
dmv geheime politie en een onderdrukkende monotheïstische ideologie; gelukkiger
ook door de grotere welvaart en de grotere keuzevrijheid