home
HUMANOSOFIE
IDEE
VOOR BASISVERHAAL
Dit is natuurlijk een post hoc-verhaal, maar dat zijn alle reconstructies.
Je kunt het nooit bewijzen. Maar het is een goed verhaal, wanneer het
strookt met alle bekende feiten – en als we er wat mee kunnen.
(Primatoloog
Carel van Schaik in interview NRC 4 mrt’06)
Ik heb in
DEEL I herhaalde malen gerefereerd aan het verhaal dat ik meen te vertellen te
hebben over hoe mensen mensen geworden zijn. Een verhaal zonder welk wij onze
soort, haar natuur en haar geschiedenis niet goed kunnen begrijpen. Zonder welk we zelfs moeilijk ons
eigen gedrag kunnen begrijpen.
Dit
verhaal op poten te krijgen mag dus als een zinnige onderneming worden
aangemerkt. Temeer omdat de bouwstenen ervoor vandaag dankzij de vrije markt
– met haar welvaart en het betaalbaar worden van duur veld- en ander onderzoek
– met karrenvrachten tegelijk worden aangevoerd.
Het is de
schuld van de postmoderne filosofie met haar onredelijke en ongegronde angst
voor eenheidbeogende verhalen, dat van al dat materiaal nog steeds geen nieuw
Basisverhaal wordt opgetrokken. (Ik mag hierbij graag dromen over een officieel
UNESCO-project. Zoiets als de Universele Verklaring van de Herkomst en de
Geaardheid van de Mens – maar daar gaat DEEL III over)
Ik hoop
in DEEL I de ongegrondheid van haar angst te hebben aangetoond en ga in dit
DEEL II zelf alvast beginnen met het bouwen aan ons Basisverhaal, in de hoop
dat de echte makers geërgerd deze overijverige humanosoof de troffel uit de
handen komen rukken.
Ik heb
dit verhaal natuurlijk al wel grotendeels overeind: ik zou anders nooit op het
idee van het IDEE hebben kunnen komen. In uitgebouwdere vorm dan het op
deze Humanosofie-site kan doe ik dat in teksten als De menselijke natuur,
Ontstaan van ons taalvermogen en ons
bewustzijn en Bestaat God? Te vinden op mijn site www.mens2000.nl ga naar Filosoof.
Hier en
nu behandel ik alleen de aspecten ervan die onmisbaar zijn om het IDEE
VOOR GEMEENSCHAPSZIN goed
te kunnen bepleiten in DEEL III.
ons Verhaal begint in Afrika
Ik laat
ons Verhaal[1] tien
miljoen jaar geleden beginnen omdat onze toenmalige voorouders toen nog steeds
gewone mensapen waren. Het hete en natte klimaat van het lange tijdvak Mioceen
was koeler en droger gaan worden en de regenwouden die aanvankelijk nog tot
halverwege Europa reikten, begonnen zich terug te trekken richting evenaar.
Mensapen
waren in die warme regenwoudentijd talrijker dan de gewone apen geweest. Na het
drastisch inkrimpen van de regenwouden zou die getalsverhouding omgekeerd
worden.
Dat wij
onze voorouders onder de chimpansee-achtigen van toen moeten zoeken, zal voor
weinig lezers nieuws zijn: we delen met hen bijna 99 % van ons genoom, hetgeen
betekent dat we nauwer aan elkaar verwant zijn dan bijv. twee soorten koolmezen
of dan de Indische olifant verwant is aan de Afrikaanse.
Wel
nieuws voor velen zal zijn dat onze voorouders meer weg gehad moeten hebben van
de huidige bonobo’s[2] dan van de
huidige chimpansees. Ik heb deze wijsheid van Frans de Waal[3].
Omdat het leefgebied van de bonobo’s gedurende die tien miljoen jaar niet
veranderd is, dus ook de bonobo’s niet[4],
mogen we aannemen dat onze gemeenschappelijke vooroudersoort er uitzag als de
huidige bonobo’s. Dus die noemen we hier VOBO’s[5].
De
omgeving waar ónze VOBO’s leefden – in de ‘hoorn’ van Afrika[6]
– veranderde het eerst, en wel totaal. Onze VOBO’s werden gedwongen zich aan een
geheel nieuwe situatie aan te passen en dus grote veranderingen te ondergaan.
De
omgeving van de VOBO’s van de chimpansees daarentegen begon pas zo’n 2,5
miljoen jaar geleden (mjg) te lijden onder de ijstijdinkrimpingen; de chimps
bleven gewoon regenwoudbewoners, maar de overlevingsgevechten, zo’n twintig
keer overnieuw, heeft hen tot een grimmige en machistische vechtjassensoort
doen worden.
Vechtjasseriger
dan de vredelievende bonobo’s en de nog veel vredelievendere mensen.
Ja, daar
kijkt u van op dat ik dit zeg. Dat u dit laatste niet snel zult beamen komt
doordat onze zo vredelievende soort de laatste 0,5 % van haar bestaan in
eenzelfde situatie terecht gekomen is als waarin de chimpansees al vanaf 2.5
mjg. terecht kwamen. Daarover ook gaat dit DEEL II, voor een niet onbelangrijk
deel.
De
omgeving van de VOBO’s van de bonobo’s bleef ook gedurende de ijstijdmaxima
gewoon zoals hij was, dus bleven ook de bonobo-VOBO’s zoals ze waren. Want een
soort verandert pas als de omgeving ervan verandert.
savanne
Het was
vanaf 8 mjg dat het regenwoud van ónze VOBO’s begon te verslechteren en plaats
begon te maken voor een savanne-omgeving[7].
Hoe dramatisch de uiteindelijke gevolgen van hun aanpassing aan de geheel
nieuwe situatie ook waren, voor de betrokkenen verliep deze geheel ongemerkt.
Als mensapen trokken ze al rond in een uitgestrekt voedselgebied. In de loop
van honderdduizenden jaren verminderde het areaal aan vruchtbomen in hun
voedselgebieden. Er vielen steeds grotere gaten waarin het oerwoud veranderde
in open grasland, bevolkt met van gras levende soorten, en hun predatoren. De
zebra’s, de giraffen (althans de vooroudersoorten ervan), de runder-achtige en
hertachtige grazers hadden de ‘grote katten’ als predatoren, en niet te
vergeten de hyena’s, vanwege hun intelligente en coöperatieve gedrag ook zeer
te duchten jagers[8]. Dikhuidige
grazers als de deinotheriums (olifant-vooroudersoort, met omlaag gebogen
graafslagtanden) kregen hun eigen predator: de sabeltandkat.
Naarmate
het oerwoud verder achteruit ging moesten ónze VOBO’s hun voedseltochten steeds
vaker en verder laten uitstrekken over open savannegebied[9].
Dat vergde bijzondere maatregelen: bewapening tegen de roofdieren aldaar. De
grote katten en hyena’s waren ingesteld op prooien met horens of met scherpe
hoeven of met enorme snelheid. Dus zouden onze VOBO’s te gemakkelijke prooien
zijn geweest, indien die niet een voorouderlijk mensapenkunstje hadden
‘geprofessionaliseerd’: het kunnen gooien met iets.
Chimps
gooien te hooi en te gras: met van alles wat voor het grijpen ligt. De savanne
was te gevaarlijk om de bewapening van toevallige vondsten te laten afhangen.
De ‘professionalisering’ bestond uit stenen. Daar moet je ’s morgens, voor het
vertrek vanuit het overnachtingsbos, een voorraadje van bijeengaren aan de
oever van meer of rivier. Om ze in mee te dragen konden ze overal vellen
vinden: de resten van wat aaseters hadden achtergelaten van de prooien van de
sabeltanders en andere grote katten.
Maar hoe
draag je als mensaap een zware buidel stenen mee? Natuurlijk, met je handen;
bonobo’s lopen veel makkelijker en vaker tweebenig dan de chimps. En vergeet
niet dat ze voor de fysieke aanpassingen aan het rechtop lopen zeker twee
miljoen (!) jaar hebben kunnen uittrekken, zo traag verliep de overgang van
regenwoudbestaan naar savannebestaan. Zo geleidelijk ontwikkelden ze ook dit
soort ‘professionaliseringen’ van gedragingen en kundigheden waarover ze als
soort al beschikten.
Wie
dragen die bewapening mee? De mannen natuurlijk. De vrouwen moesten hun baby
meedragen en voor hun kindjes zorgen; hadden wel wat belangrijkers te doen dan
met die stomme stenen bezig te zijn. Ze moesten voor het eten zorgen. Vrouwen
en kinderen verzamelden het voedsel, en de mannen deden niets anders dan hun
stenen paraat houden tegen het voortdurend loerende gevaar. Taakverdeling dus,
vanaf het begin[10].
Het – met het oog op het zo vredelievend worden van onze soort – belangrijkste gevolg van deze bijzondere nieuwe omstandigheden was, dat onze VOBO’s gedwongen werden, in hechte groepen te opereren.
Ze konden
zich geen onderlinge spanningen meer permitteren, ieder moest voor 100 % op de
ander kunnen rekenen.
Bij
bonobo’s leidt het in een grote groep bijeenleven dat de vrouwen bij hen de
dominante sekse zijn. Bij chimpansees werkt het ook zo, maar alleen in de
weinige groepen die vaak bijeen kunnen optrekken, zoals in Budongo Forest in
Oeganda[11].
Onze
VOBO’s opereerden noodgedwongen in hechte groepen. Dat maakt het aannemelijk
dat ook bij hén de vrouwen de dominante sekse waren. Dat onze VOBO’s net als de
bonobo’s geruzie in de kiem gesmoord hebben met seks, en ook dat weer
geprofessionaliseerd hebben, daarop wijst onze bijzondere seksuele
‘apparatuur’. De oestrus die in mensapengroepen altijd zoveel hommeles
veroorzaakt, hebben de VOBO-vrouwen geleidelijk tot een onmerkbaar verloop
weten te reduceren[12]. Mensenmannen hebben de grootste
penissen van alle mensapen. Groepen die dit soort aanpassingen ten behoeve van
de groepsharmonie het perfectst wisten te ontwikkelen, floreerden (wisten meer
kinderen in leven te houden) ten koste van groepen die er weinig of niets van
bakten. Dat geldt voor alle specifiek-menselijke fenomenen: resultaat van de selectie door de natuur. Want een leuk verhaaltje als
dit suggereert de dingen zo van de ene op de andere dag; maar in werkelijkheid
is het niet meer dan een zo aannemelijk mogelijke reconstructie achteraf; en
als de lezer-es weet aan te tonen dat iets niet kan kloppen, veranderen we het
meteen.
over vellen en andere ‘cultuurtjes’
De
voedselgaring was voor de vrouwen heel wat complexer geworden dan die in het
voorouderlijke regenwoudbestaan altijd geweest was. De simpele takjes die de
chimpvrouwen ontbladeren om er mee naar termieten te ‘hengelen’ waren voor de
VOBO-vrouwen stevige en met scherpe steenscherven aangepunte graafstokken om
knollen mee uit te graven[13]
– ze konden tevens als wapen dienst doen bij een plotselinge overval door een
dier. Zo’n scherf vonden ze ’s morgens bij de rivier en die namen ze mee in hun
buidel: handig voor het schoon schrapen van de vellen die je overal wel kon
tegenkomen op de savanne.[14]
Ook de mannen zullen zich zeker wel van puntige stokken voorzien hebben: bij
een directe confrontatie met een luipaard of zo heb je aan alleen maar stenen
niet zoveel. Ja, we moeten het nu allemaal maar zo aannemelijk mogelijk bij
elkaar verzinnen: fossiel valt van dat soort dingen niks terug te vinden.
Het
recente onderzoek aan boslandchimpansees zoals in Ugalla (Tanzania) en Fongoli
(Oost-Senegal) draagt een nieuwe bouwsteen aan voor het bouwsel van ons
Verhaal: het laat zien dat die overgang van regenwoudomgeving naar
savanne-omgeving de mensapen technischer maakt, vernuftiger. Helaas zullen de
boslandchimps door het opdringen van de mens niet de tijd van leven krijgen om
de overstap te maken van foeragetochten door de grasgebieden, zoals onze VOBO’s
gedaan hebben.
Aan die
gevonden vellen zat nog van alles eetbaars aan weefsel en vleesresten;
onbereikbaar voor aaseters, maar niet voor handige pulkers als onze hominiden[15]
die bij het vlooien de kleinste dingen uit elkaars vacht konden oppikken.
De vellen
vormden voor onze VOBO’s een belangrijke voedsel-niche[16],
voor de onmisbare proteïnen[17].
Mensapen als chimpansees verkrijgen die door het eten van
insecten, zoals termieten, en door het samen jagen op kleine bosdieren zoals
aapjes. Maar voor onze VOBO’s was dat laatste er niet meer bij: de
savannedieren waren hen veel te snel af. Hun voortbewegingssnelheid, toch al
niet je dát als boomdier, was door hun gedwongen rechtop lopen alleen maar
minder geworden.
Behalve
vellen – die eenmaal leeg geschraapt ook voor andere doeleinden heel bruikbaar
bleven – konden de VOBO’s soms in hun overnachtingsbos een nog tamelijk intact
karkas aantreffen: hyena’s en gieren komen daar niet. Dan was het natuurlijk
feest!
De vellen
hebben naar mijn idee een hoogst belangrijke rol gespeeld in de ‘VOBO-cultuur’.
Want op de savanne zijn de nachten koud. De vellen deden ’s nachts dienst als
matras; in de schroeiend hete zon overdag als ‘parasol’, vooral voor de
kleintjes; tegen een schrale wind als windscherm, met graafstokken als
tentpalen. En bij het verder trekken fungeerden ze als draagzak. Heel
multifunctioneel, die vellen. En de graafstokken niet minder. Verder hebben de
vellen als oefenmateriaal gediend om er hun steenbewerkingstechniek mee te
ontwikkelen.
Overnachtingsbos,
ja. Want ze moesten nog steeds hun slaapplatforms kunnen maken in de boomtoppen
om veilig te kunnen slapen. Ook op de savanne moesten ze nog snel een boom in kunnen
klimmen wanneer het te link werd[18].
Vandaar dat hun handen nog lang op boomklimmen gebouwd bleven[19].
Hun voeten kregen een tussenvorm: voor lopen ál en voor klimmen nóg steeds
geschikt.
De
voedselgaring was veel complexer geworden vergeleken bij die in het regenwoud:
de vrouwen moesten nu weten wáár wannéér wát verkrijgbaar was. Want de savanne
kent seizoenen: een paar natte maanden (zoals op het plaatje) en dan een heel
lange tijd van schroeiende droogte. Maar ook dan moest er eten zijn en drinken voor
de kindjes en voor iedereen. Er was nu veel meer kennis vereist dan voor een
regenwoudbestaan toereikend is. Maar ook: behoefte aan meer
communicatiemogelijkheid dan de lichaamstaal en de mensapen-‘kretologie’ waar
je in een regenwoudbestaan mee toe kunt[20].
Het kon
niet uitblijven dat in één groep één vrouw haar handen ook ging gebruiken om er
mee uit te beelden[21]
wat ze bedoelde: [water], [een speciale plant], [een speciaal dier], [een
speciale plek], [een bepaalde handeling], verzin het maar. Het begon als een
hebbelijkheid van één jonge[22]
vrouw. Maar haar medevrouwen vonden het grappig, en wel handig ook, eigenlijk;
en ze gingen het ook doen. Het werd een ‘cultuurtje’ binnen die groep; de jonge
meiden die verkasten voor hun partner naar een bevriende groep, namen het
aanwensel mee. En zo verbreidde het ‘cultuurtje’ zich over de hele stam.
En die
floreerde. Want het ‘cultuurtje’ verbeterde hun samenwerking en stelde hen in
staat, iets meer kinderen in leven te houden, meer nakomelingen te krijgen dan
de hominiden die dit niet ontwikkelden. Die stierven op den duur uit,
daarbij al dan niet geholpen door onze VOBO’s.
namen voor de dingen
Met dit
‘cultuurtje’ was wel iets unieks in de evolutie van het leven geboren!
Handgebaarde codes voor dingen ! Geen enkele andere soort kent codes
voor dingen[23]. Alle
groepsdieren kennen hun specifieke communicatie. Maar in geen enkele andere
soort kunnen de individuen het met elkaar hebben over iets wat niet ter plekke
waarneembaar is. Onze VOBO-vrouwen – en weldra ook de mannen, al zullen die
zich niet zo gauw met dit vrouwengedoe hebben ingelaten maar ze leerden het als
kind – konden met elkaar communiceren over een leeuw op een bepaalde plek welke
ze die dag maar beter konden mijden. Of over bepaald voedsel in een ander seizoen,
verzin het maar.
Die
handgebaarde codes zijn namen voor de dingen.
Dat doet
iets met een dier.
Het
schept een gevoelsmatige afstand tussen de benoemer en het benoemde.
Het
schept een mentale situatie van subject versus object. Het stelt ‘benoemers’
in staat hun omgeving te objectiveren.
[Ik ga
hier niet verder door over het feit dat ons taalvermogen met gebarentaal
begonnen moet zijn (geen ‘uitbreiding’ van de mensapen’kretologie’) en waarom
en sinds wanneer en hoe we met spraakklanken zijn gaan praten. De
verantwoording van mijn opvattingen daarover doe ik al in mijn genoemde teksten
op mens2000.nl.]
Het gaat
hier om het aangeven wat onze voorouders afscheid heeft doen nemen van het
normale dierzijn. Het gaat mij om een bevredigend ontstaansverhaal van onze
soort, geschikt om als nieuw Basisverhaal voor ons samenleven te kunnen dienen.
Het gaat hier om het bijzondere
menselijke vermogen van het kunnen doorgeven van kennis van de ene generatie op
de volgende; de jongere generatie staat op de schouders van de oudere, bij
wijze van spreken.
Het gaat
om (het gevoel van) macht over de omgeving die het vermogen tot
‘afstand nemen’ (objectiveren) je geeft.
Het gaat
om het kunnen opeenstapelen van afzonderlijke intelligenties: twee weten meer
dan één, en met een groep kun je heel wat problemen aan. Eén hooligan is
maar een bang jongetje; maar voor een hele meute hooligans doe je het
als ME-er in je broek. Onze VOAP’s werden de hooligans van de savanne.
[Het
wordt nu trouwens tijd om ze een andere naam te geven. De paleoantropologen
noemen hen australopithecinen. Dat tongbrekende woord kort ik af tot
AP’s. Dus worden onze VOBO’s in het vervolg VOAP’s --- ‘VO-‘ nog steeds staande
voor ‘voorouder-‘; maar ‘ónze’ kan nu verder wegblijven, want noch de bonobo’s
noch de chimps zijn tot AP’s geworden, die zijn gewone mensapen gebleven omdat
ze hun regenwoudomgeving nooit zijn kwijt geraakt.
En
‘paleoantropologen’ is toch ook te onhandig voor woorden? zij worden hier paleo’s.
Daar vallen verder alle onderzoekers onder: ook de archeologen, taxonomen,
geologen en andere –logen die van belang zijn voor ons Verhaal: allemaal
paleo’s. OK? ]
vuur
Namen
voor de dingen
was de eerste mentale stap buiten het dierenrijk. Het begon met bijna niets:
een toevallige maar wel uit de nood geboren hebbelijkheid van één VOBO-vrouw.
Maar het begon vanaf het prille begin, omdat de nood er was en de voor de hand
liggende mogelijkheid. En het heeft zo’n drie miljoen(!) jaar de tijd gehad om
van niets tot een beetje te worden. Maar rond 2 mjg zijn ze er blijk van gaan
geven. Het gaan gebruiken van het vuur[24].
Dat is de
tweede ‘sprong voorwaarts´naar ons huidige menszijn geweest.
Het gaan
gebruiken van het vuur, in plaats van er, zoals een normaal dier doet, in
paniek voor op de loop te blijven gaan, is een gevolg van het kunnen objectiveren
van de dingen. Het is immers uniek-menselijke gedrag, alleen verklaarbaar
met de gevoelsmatige afstand tussen de benoemende VOAP’s en de benoemde
dingen zoals het fenomeen vuur.
Het
kunnen benoemen van de dingen geeft namelijk ook een gevoel van macht
over de dingen[25].
De
natuurlijke savannebranden in het droge seizoen zijn een behalve beangstigend
ook intrigerend verschijnsel voor veel savannebewonende soorten. Want tijdens
zo’n brand leggen roofdieren zich op de loer voor in paniek vluchtende prooien.
Schuwe dieren als antilopen komen er op af om aan de zoutige as te likken. Na
een gedoofde savannebrand vallen er allerlei ‘lekkere’ dingen te halen voor de
aaseters. Dus voor onze VOAP-vrouwen, voor wie alles gaat om het beste voedsel
voor hun kinderen.
Het feit
dat ze er een naam voor hadden, maakte dat hun instinctieve angst
ervoor afzwakte, en dat ze er eerder dan andere aaseters bij probeerden te zijn
om de ‘gebraden’ dieren te eten en de ‘geroosterde’ knollen die rauw niet
eetbaar zijn (zoals aardappelen dat zijn) uit te graven.
Ik denk
dat het een ‘oma’ is geweest, in één VOAP-groep, die als eerste een nog na
smeulende tak naar een veilige plek sleepte. Daar ‘voedde’ ze het met droog
materiaal, en maakte het eerste vuurtje.
De
overige groepsleden stonden schreeuwend van angst vanaf een afstandje toe te
kijken wat ze deed. Maar de oma, ook wel met trillend handen, was ze
vastbesloten: ze had er lang genoeg over nagedacht. Ze stak een oneetbare knol
aan haar graafstok en hield die langdurig boven het vuur. Toen at ze er van.
Vervolgens stond ze op en bood de rest aan aan haar kleindochter. Die zou dit
gebaar nooit meer vergeten.
Te mooi
verhaal? Dan ander scenario. Jagers hebben melding gemaakt van gorilla’s die
zich in de koude nacht gingen zitten koesteren bij een verlaten kampvuur; maar
nooit hebben ze die het vuurtje zien voeden met droog materiaal; onze VOAP’s
deden dat wel met een nasmeulend vuurtje van een natuurlijke brand: ze hadden
er een naam voor, dus een gevoel van afstandelijkheid en macht.
Wat
maakte dit gaan gebruiken van het vuur tot een ‘sprong voorwaarts’?
Natuurlijk,
het vergrootte hun menu aanzienlijk. Ze kregen op den duur grotere gestalten: Homo
erectus-sen (HE’s).
En het
vergrootte hun macht over hun mededieren, misbruik makend van de
instinctieve angst waar die nog wel aan onderhevig waren. Met het vuur
konden ze ook naar koudere streken migreren, de kuddes achterna. Als HE’s
verbreidden ze zich over heel Eurazië. Allemaal waar.
Maar de
‘sprong voorwaarts’ zat hem vooral in de uitbreiding van hun communicatie.
Tot op
dit moment was die beperkt geweest tot het foerageren overdag en het verdelen
van het voedsel tegen de avond. Maar daarna moest ieder afzonderlijk zijn
slaapboom in, om boven in de kruin zijn platformpje te vlechten, al dan niet
met een naar boven meegezeuld vel, om lekker op te kunnen liggen. Dan kun je
nog wat ‘Truste!! roepen naar je maatjes, maar gebaren werken niet zo in het donker;
en de schemer duurt kort in de tropen.
Hoe
anders werd dit toen ze op de grond konden blijven overnachten, rond het
kampvuur. Ze konden de halve nacht ‘doorhalen’ met hun samenzijn, gehuld in hun
‘deken’[26].
Uren en uren toegevoegd aan hun samenzijn, uren die zich nergens anders voor
leenden dan voor communicatie. Om de beurt sprong wel iemand op om haar/zijn
ervaring van die dag of zijn/haar gedachte dansend/zingend met de anderen te
delen. Die daar dan vol emotie op reageerden door de gebaren en begeleidende
kreten eindeloos te herhalen. Het gaan gebruiken van het vuur is, na het
ingang vinden van namen voor de dingen, de tweede mijlpaal op het
pad van onze voorouders naar ons toe.
dansen/zingen
Nu komt
het punctum saliens van de Humanosofie: de geboorte van het
Basisverhaal.
Even recapituleren. Het beschikken
over namen voor de dingen heeft onze VOBO’s tot afwijkende dieren
gemaakt. Het heeft hen tenslotte, na drie miljoen jaar tot VOAP’s geworden –
met een handzame ‘gereedschapskist’ aan stenen werktuigen als messen, schrapers
en boren, zoals gevonden in Kada Gona (zie hiernaast), gedateerd 2,6 mjg – in staat gesteld hun instinctieve dierlijke
angst voor het vuur te overwinnen en hen macht gegeven over hun
omgeving. Ze waren geleidelijk alle dingen in hun wereld in (gebaren-) woorden
gaan begrijpen. Ze kwamen steeds meer in de ‘woordenwereld’ te leven
waarin wij nu nog steeds leven. Ze waren talige wezens geworden.
Wezens met een talig bewustzijn[27].
Maar …
duizenden namen voor duizenden dingen, dat wordt een chaos in je
kop als je daar geen samenhang in brengt. Die samenhang krijg je als je al die dingen
met elkaar in verband brengt: in een verhaal. Een van a tot z- verhaal:
van hoe de dingen begonnen en werden, inclusief onszelf, tot wat ze nu zijn.
Precies zo’n verhaal als ik nu aan het opdissen ben. Zo voor de hand liggend.
Hoe dat
voor de hand liggende Verhaal er uit zag, vertel ik dadelijk. Eerst moet ik dat
dansen/zingen uitleggen
Ze
communiceerden met (vooral) gebaren. Ze communiceerden de dingen in
handgebaarde codes.
Natuurlijk
speelde hun stem[28] een
groeiend belangrijke rol, evenals !klik!- en !plop!-geluiden[29]:
ze stelden er alles waarover ze maar beschikten, bij in het werk. Het ging
emotioneel, met veel ‘imput’ vanuit het limbische systeem (ga ik
nog laten zien) van waaruit ook het stemgeluid wordt aangedreven.
Hun
communicatie was in principe niet meer dan een uitbreiding van hun normale
mensapenlijke lichaamstaal. Al speelden hun handen, met die tien vingers, en
hun gelaatsexpressie er de hoofdrol bij, hun hele lichaam deed er bij mee.
Vooral bij emotioneel geladen uitingen was hun communicatie een soort dansen.
Dit werd gaandeweg cultureel verfijnd door een bijkomstigheid waar ik het ook
over ga krijgen.
Hun
communicatie is echt héél lang voornamelijk gebarentaal gebleven. Tot zo’n
100.000 jaar geleden (jg). De Neanderthalers (NT’s) waren nog steeds
voornamelijk gebarentalig[30],
al kende hun taal al heel wat betekenisdragende grom- en !klik!- en
!plop!-geluiden. De NT’s waren echte mensen. Oer- en oerconservatief (en
oersterk), maar echte mensen. Wat? hun HE-voorouders waren het al: de paleo’s
duiden deze aan als Homo (= mens) erectus.
Conservatief!
Waarom waren onze vroege voorouders[31]
zo opvallend conservatief?
tobbende apen
Naarmate
hun handelen meer en meer het resultaat werd van onderling of inwendig overleg,
raakten ze hun dierlijke instinctzekerheid kwijt.
Dit is
een aspect wat niet vergeten moet worden bij de uiteenzetting over hoe onze
soort van gewone dieren (mensapen[32])
tot mensen geworden is: we zijn ‘tobbende apen’ geworden.
Het moet
namelijk een beangstigende overstap zijn geweest: van dierlijke
instinctzekerheid naar menselijk (bij jezelf of gezamenlijk) overleggen. De
overstap op talig bewustzijn.
Alle dingen
van hun omgeving die voor hen een rol speelden, hadden hun naam. Ze
kwamen meer en meer in een benoemde wereld te leven, een
‘woorden’-wereld[33]. Een talige
wereld. En zo leven we nog steeds. Wij zijn ‘talige wezens’.
Met een naam
‘grijp’ je het ding en reik je het over aan de ander. En die be-’grijpt’
het dan. Een naam is een soort handvatje of ‘oortje’ aan het ding,
waarmee we het ‘begrijpen’. Zo moet je dat zien. Vat je? Capito?
We kregen een talig bewustzijn.
De VOAP’s
gingen steeds meer over op het ‘begrijpen’ van de dingen in plaats van
ze, zoals een normaal dier (of een baby) doet: ze maar te nemen zoals ze zich
voor doen en te leven in het ‘hier-en-nu’.
Maar
vooral aanvankelijk begrepen ze er nog de ballen van. Niettemin, er was geen
weg terug naar de dierlijke instinctzekerheid. Is het voor ons nog steeds niet:
we kunnen alleen voorwaarts, op de weg van steeds beter begrijpen. Dat
het voor onze voorouders nog heel lang als een frustrerende toestand moet zijn
aangevoeld waaruit ze van tijd tot tijd wilden ontsnappen, verklaart de neiging
om je door urenlang dansen en muziek en getrommel je hersenen in een zodanige trance-toestand
te laten komen dat je het punt bereikt van die voor-menselijke, onbekommerde
toestand van het dierzijn. Deze trance-toestand hebben de sjamanen tot
in onze dagen van tijd tot tijd nagestreefd.
Voor de
VOAP’s, die nog maar zo weinig begrepen, moet de woordenwereld een
beangstigende leefwereld opgeleverd hebben die ze met elke avond rond het kampvuur
dansen/zingen de baas bleven.
Met angst
kun je niet leven. Dus hebben ze hun groeiende onzekerheid bezworen met twee
angstbezwerende mechanismen: herhalen en geloven.
Herhalen: herhaalde bewegingen (dansen,
lopen), ritme! Zo-even had ik het over het emotionele uitbeelden van wat er in
ze omging: met het hele lichaam; en dat dit ‘cultureel verfijnd’ werd: het
dansen/zingen werd ritmisch. Lopen gaat ook ritmisch, werkt ook
rustgevend, er komen endorfinen bij vrij. Gekooide dieren gaan ook
herhaalde bewegingen maken om zich minder ellendig te voelen.
Herhalen
dus. Maar ook: de dingen doen zoals ze altijd gedaan waren: traditie, gewoonte.
En ook: de naam van een nieuw ding[34]
eindeloos herhalen en daardoor bevestigen. Bij kleuters herken je het meteen.
Het
eindeloos herhalen en daardoor bevestigen betreft vooral het verhaal van hun
‘woordenwereld’. Het verhaal
waarin ze de dingen in samenhang beheersten: hun Scheppingsverhaal. Ze hielden
hun ‘woorden’wereld in het bestaan door dit Scheppingsverhaal eindeloos te
dansen/zingen, dat wil zeggen: elke avond rond het kampvuur. Ze leefden de dag
toe naar de avond[35].
Ze hadden het gevoel dat, als ze zouden ophouden met het dansen/zingen van hun
(stam)wereld, deze zou ophouden te bestaan. Als je bedenkt dat het een
‘woordenwereld’ was (en is) dan is dit een zinnige gedachte[36].
Geloven: dat de dingen zijn zoals je
graag wilt dat ze zijn. We kunnen onszelf van alles wijs maken. Of laten maken:
geloven dat de dingen zijn zoals iemand met gezag zégt dat ze zijn. Vooral
wanneer dat ook nog eens eindeloos herhaald wordt. Geloven in de speciale
kracht van bepaalde handelingen of dingen: geloof in magie. Wij kunnen ons van
alles wijs maken, of láten maken. Niets mis mee … zolang er geen macht
in het spel komt; zolang het vanzelfsprekende respect voor de ander nog
onaangetast blijft.
het scheppingsverhaal
Daarmee
wordt hier bedoeld: het Verhaal van hun ‘woordenwereld’, waarmee ze de dingen
in hun ‘talig bewustzijn’ hanteerbaar hielden. Voor de HE’s (Homo erectus-mensen)
was de wereld hun stamgebied. Alleen moeten we ons daar geen afgepaalde
regio bij voorstellen: niet iets waar je op de kaart een lijn om heen kunt
trekken om het daarbinnen in te kleuren. Dat is bij chimpansees al moeilijk.
Het stamgebied van de HE’s was meer een netwerk van routes, waarbij je op vaste
punten en tijden ook de ontmoeting met verwante groepen kunt verwachten – en
anders ga je naar ze op zoek. En omdat ze al lopend van kamp naar kamp de dingen
(rotsen, heuvels, moerassen, kloven, rivieren, meren, vulkanen, wouden) bezongen,
waren het zangroutes. Dat wil zeggen dat hun stemgeluiden al behoorlijk
betekenisdragend moeten zijn geworden. Dus dat ze die al verregaand onder neocorticale,
dus bewuste, controle aan het krijgen waren.

Hiernaast
zie je waar de neocortex zit in onze hersenpan. Eigenlijk niet veel meer
dan de dikte van het lijntje er om heen: de rest van het ‘wit’ tot waar het
limbische systeem begint, is isolatiemateriaal: een massa vette ‘witte stof’
waardoorheen de bedradingen lopen waarmee de uitlopers van de hersencellen in
de hersenschors (neocortex) elektrisch met elkaar in contact staan en
hun netwerkjes hebben. De schors zelf is heel dun maar toch nog gelaagd, in
flinterdunne laagjes, net als bladerdeeg. Al onze mentale vermogens, zoals
tastzin, reuk, gehoor, gezicht, taalvermogen, hebben hun vaste gebiedjes in die
hersenschors en vallen uit wanneer op hun plek een infarct plaatsvindt (het is
door hersenonderzoek aan dat soort calamiteiten dat ons inzicht zo gegroeid
is!). Het taalvermogen, dus ons talige bewustzijn, zetelt in de
hersenschors. Een hersenschors hebben alle zoogdieren zoals mensapen ook. Maar
bij ons is die inmiddels, door veel meer ‘kreukels’, wel vier keer zo groot in
uitgevouwen oppervlak geworden.
Maar denk er om: als
gevólg van het gedrag van onze voorouders, niet als óórzaak van dat gedrag!
Het neo- van de cortex
wijst er op dat het een evolutionair-biologisch jong hersendeel is, vooral
ontwikkeld bij de zoogdieren. Het limbische systeem was al bij de dino’s
volop ontwikkeld en de hersenstam bij de vissen en wormen.
Wat hier vooral belangrijk
is: het stemgeluid wordt bij zoogdieren vanuit het limbische systeem
aangestuurd. Het limbische systeem is betrokken bij emotie, motivatie, genot en
het emotioneel geheugen. Mensen hebben er geleidelijk ook neocorticale controle
over gekregen. Maar het is nog steeds de oorzaak dat zang en muziek voor een
groot deel buiten het bereik van ons talige bewustzijn vallen en ons
‘meeslepen’[37].
Door het
dansen/zingen van hun wereld. Tijdens het lopen van kamp naar kamp hebben de
vrouwen hun handen nodig bij het dragen en het verzamelen; dat belemmert het
gebaren in meer of mindere mate. Een evolutionaire druk op hoe de menselijke
hersenen functioneren is daar van uit gegaan: het voortdurende pogen om aan de
stemgeluiden , geholpen door de nodige klik!- en plop!- en blaas!-geluiden
(waarover ze wél neocorticale controle hadden) zoveel mogelijk betekenislading
mee te geven. Dat heeft geresulteerd in een dier dat bewuste (neocorticale)
controle verwerft over zijn stemgeluid - dat zoogdierlijk gesproken neuraal
vanuit het limbische systeem komt. Darwin vermoedde al dat hierbij het
(emotionele) zingen de ‘motor’ is geweest. Het limbische systeem is de
zetel van het gevoel. Dus maar goed dat het nog steeds zijn rol meespeelt in
onze stem: daarmee klinkt het gevoel er in door – als we willen kunnen we het
gevoel erin onderdukken, dan praten we ‘ijzig’, robot-achtig.
Dan nu
eindelijk over de ‘motor’ achter het dansen/zingen: het Scheppingsverhaal.
Het
belangrijkste Verhaal voor een dier dat in een ‘woordenwereld’ is komen te
leven. Het Grote Verhaal dus. Het basisverhaal. Grondslagverhaal.
Dragend Verhaal. Hier wordt het geboren. Ik denk al zeker twee miljoen jaar geleden. Denk er om, ze waren ‘tobbende apen’
geworden. Hun ‘woordenwereld’, hun ‘talige bewustzijn’, was maar een
bordkartonnen vlierinkje, gebouwd boven op hun normale dierlijke bewustzijn,
waarop ze steeds meer meenden te leven. Dat wankele vlierinkje moest door het
eindeloos en dansend/zingend herhalen bevestigd blijven. Binnen onveranderlijke
rituelen, op vaste plaatsen en tijden. Door star vast te houden aan eenmaal
ontstane rituelen bleven ze hun
groeiende existentiële onzekerheid de baas.
Verandering
en vooruitgang zijn voor vrije markt-mensen als wij zijn
vanzelfsprekende dingen. Maar dat zijn ze voor een dier niet, en dat zijn ze al
die 99,5 % van de tijd dat we mensen zijn, ook voor onze voorouders niet
geweest[38].
Voor de HE’s (Homo erectus-sen, want daar hebben we het over als we over
die lange-lange tijd praten) was ‘veranderen’ not done. De paleo’s komen niet uitverbaasd
over de vuistbijl van de HE’s: meer dan een miljoen (!) jaar geen enkele
verandering of vooruitgang! Voor mij is het alleen maar een bevestiging van
mijn Verhaal[39].
Maar …
toch zijn ze veranderd en vooruitgegaan. Wij zijn immers hun nakomelingen. Hoe
kan dat dan?
De continenten blijven niet op hun plek liggen. Ze hebben niet eens een plek, ze drijven. Door magmaconvecties in het binnenste van Aarde worden ze bijeengedreven of juist uit elkaar. Door die verplaatsingen krijg je nieuwe golfstromen, door opduwingen tot gebergten van wat eerst kustgebieden waren of andersom krijg je andere luchtstromingen; dus andere verdeling van de zonnewarmte. Zo verandert het klimaat, en dan is het uitsterven geblazen voor soorten die op dat klimaat zijn afgestemd. Of aanpassen.
Nu waren de HE’s door hun VOAP-verleden (‘taligheid’, vuur-beheersing) al een dermate aangepaste soort dat ze zo flexibel geworden waren dat ze ook in koele klimaatzones konden leven. Maar de planten en dieren waar ze van leefden, beschikten niet over deze unieke vermogens. Dus de plekken waar ze hun kamp opsloegen bleven niet hetzelfde en hun zangroutes verlegden zich, naar plekken waar nog wél wat te oogsten en te jagen viel. En zo hebben ze zich toch over heel Eurazië verbreid, in de loop van die twee miljoen (!) jaar, voornamelijk over de kustgebieden ervan. Vanuit Afrika tot helemaal in het Verre Oosten, en weer terug soms[40].
Er hebben zich ook soms dramatische veranderingen in hun leefgebieden voorgedaan. Grote vulkaanuitbarstingen die hun hele gebied onleefbaar maakten bijvoorbeeld, zoals de explosie van de Toba van 74.000 jg[41]. Een tsunami. Noem maar wat. Ze hebben aantallen ijstijden plus hun opwarmingen meegemaakt, een onvoorstelbare opeenvolging van era’s waar zelfs een minder summier verhaalt dan dit geen idee van kan geven.
Dan moest een groep, misschien samen met verwante groepen (of moesten de overlevenden) verkassen naar een gebied waar het verzamelen en jagen weer wél perspectief bood.
Dat gebied was dan nog ‘woest en ledig’: voor talige wezens bestaan de dingen pas als en in zoverre ze er een naam voor hebben. Dat nieuwe gebied was dan nog onbetreden, de dingen waren er nog ‘onbenoemd’. De groep eerste kolonisten, vrouwen, kinderen en mannen, waren de eersten die er de dingen hun namen gaf.
Voor hun nakomelingen gold deze groep als de Grote Voorouder, die hun wereld (hun stamgebied) ‘geschapen’ had (voor talige wezens komt namen geven neer op ‘in het bestaan roepen’).
Hun gedanst/gezongen Scheppingsverhaal, vele-vele generaties later, beschreef waar de Grote Voorouder[42] het stamgebied was binnen gekomen, waar Hij/Zij/Het op zijn doortocht alle voor de stam belangrijke dingen (bergen, rivieren, meren, moerassen, kloven, voedselplanten, dieren, noem maar op) had achtergelaten en waar Hij tenslotte weer onder de grond was gegaan. Hét schoolvoorbeeld voor mij van zo’n gedanst/gezongen Scheppingsverhaal lees je in De clan van de Wilde Honing van antropoloog Ad Borsboom (Haarlem, 19996). Maar omdat ik er op gespitst ben kom ik de sporen ervan in heel veel andere antropologische literatuur tegen. Minieme sporen meestal, want vooral sinds de laatste 10.000 jaar zijn heel wat oorspronkelijke vormen die het honderdduizenden jaren onveranderd hadden uitgehouden, uitgewist.
Dit Verhaal nu, van de Schepping van hun wereld[43], was het wat ze elke avond dansten/zongen rond het kampvuur. Het was hun Grote Verhaal: hun hele ‘talige’ bestaan draaide er om; ze leefden elke dag naar de avond toe[44], maakten zich er mooi voor, met veren en stokjes door hun neustussenschot of zo. Waarom ik daar nu weer zo zeker van kan zijn is omdat zelfs Tuinbouwers[45] als de Yanomamö, in het Orinoco-gebied van Brazilië/Venezuela, beschreven als The fierce people[46], dat nog steeds doen, elke avond.
Twee miljoen jaar lang (tot op de dag van vandaag dus voor sommige volkjes) is het op deze manier beleven van de wereld en het samenleven deel geweest van het menszijn. Gedrag dat zo lang deel van ons menszijn is geweest, is deel van onze erfelijke aanleg geworden. Ons religieuze gevoel. Bij onze geboorte vertonen we er de neiging toe. Naarmate de omgeving waarin we ter wereld komen aan die neiging beantwoordt, zijn we blij en wordt de beleving actief in ons.
Als baby-tje huilt neemt mama het op en gaat er zachtjes zingend mee rond deinen; baby wordt stil en lacht een beetje: ‘kent’ het ergens van! En mama doet het ook zonder er bij stil te staan. We worden er nog steeds mee geboren: religie. Het oeroude dansen/zingen van onze woordenwereld.
Onze naaste voorouders zijn vanaf zo’n 10.000 jg in een nieuwe situatie komen te leven; maar hoeveel procent van 2.000.000 jaar is dat, 0,5 % toch? Veel te kort om sporen achter te laten in onze aanleg. Gelukkig maar, want het gedrag vanaf die tijd is onwenselijk onmenselijk. Krijgen we het dadelijk over.
Belangrijk nu is vast te stellen dat het gedrag dat zo lang deel geweest is van ons menszijn, in ons voortleeft in het religieuze gevoel, dat in ons blijft ‘knagen’ ook al zien we nooit meer een kerk van binnen. Kom ik ook nog op terug, maar nu snappen we waar de ietsisten het van hebben.
99,5 % van de tijd dat we mensen zijn
waren onze voorouders VJ’s
99,5 % van de tijd dat ze mensen waren hebben onze voorouders als VJ’s (verzamelaars/jagers) geleefd.
Zingend op pad naar de volgende kampplek waar de vrouwen
hun takkenhutjes zullen maken en bedekken met de meegedragen dierenvellen of
met ter plekke verzameld dakmateriaal. Om vervolgens met een stel vrouwen
het bekende voedsel te gaan verzamelen, terwijl de mannen intussen al op
jacht zijn gegaan. 99,5 % van de tijd van ons menszijn heeft onze soort zo
geleefd (de
herkomst van deze foto heb ik nog niet kunnen achterhalen, tot mijn spijt)

Daar moet ik dus ik meer van vertellen. Ik ontleen het aan het boek The other side of Eden van de Engelse antropoloog Hugh Brody (vert. De andere kant van het paradijs, Atlas 2001). Ter karakterisering van hoe onze voorouders 99,5 % van de tijd dat we mensen zijn, geweest zijn geef ik het volgende citaat weer.
In
een tent van huiden – maar het kan ook een sneeuwhuis zijn of een van
overheidswege verstrekte prefab-woning – wordt de baby wakker. Ze wordt
opgepakt, gevoed, geknuffeld en er wordt tegen haar gepraat. Ze hoort de
stemmen van de mensen in de ruimte, die van haar moeder die zegt dat ze lekker
aan het drinken is. Al mag ze dat zelf weten, of en wanneer ze drinkt of er mee
ophoudt. Alleen woorden van goedkeuring hoort ze. Als ze na het drinken
indommelt, gaat ze in moeders amautik, de draagzak die onderdeel is van de
parka en waarin ze tegen moeders rug ligt. De moeder voelt aan de bewegingen
van de baby wanneer die moet plassen of poepen en dan wordt de baby eruit
gehaald en boven een geschikte plek gehouden. Waarbij de moeder haar weer
bemoedigend toefluistert. Moeder veegt de billetjes af en zegt”: “Nu is mijn
dikkerdje weer lekker schoon, mijn schatje.” De opa komt er even bij, en zegt, met
zijn gezicht vlak bij het hare: “Lief vrouwtje van me. Ben jij mijn kleine
vrouwtje? Ja, jij bent mijn kleine vrouwtje!” De moeder glimlacht en houdt haar
dochter voor hem omhoog: “Moeder? Ja, je bent mijn moeder!” Want de baby is
geboren kort na het overlijden van de oma! Ze wordt beschouwd als de atiq, de
geest van haar oma en ze heeft ook haar naam geërfd. Hoewel alle baby’s
koestering en veiligheid ten deel valt, wordt een atiq nog eens extra bemind en
aanbeden.
Baby’s worden met respect
behandeld – zoals iedereen door iedereen met respect bejegend wordt.[47]
Baby’s krijgen alles en er wordt hen niets geweigerd. Mogen slapen wanneer ze
willen, krijgen geen standjes want baby’s kunnen nog niets verkeerds doen.
Vanaf het begin van hun leven luisteren de kindjes naar verhalen. Niets wordt voor het kind verzwegen: het pikt toch alleen maar op waar het aan toe is om het op te pikken. Opa vertelt van de schepping van de zeezoogdieren, de belangrijkste prooidieren van de Inuit. Verhalen met alle seksuele en bloederige details, en mysteries. De kinderen luisteren zo lang ze willen, horen heel vaak dezelfde verhalen terug en groeien er zo mee op. Ze zien hoe de volwassenen elkaar respecteren en hoe ieder haar/zijn speciale vaardigheden en taken heeft. Ze leren de namen van de dieren en de dingen spelenderwijs kennen en ze doen hun best, zo snel mogelijk van betekenis te worden voor hun gemeenschap.
Alle antropologen die met de weinige nog een VJ-bestaan
leidende gemeenschapjes te maken hebben, melden hetzelfde: de mensen zijn
opvallend gezond en gelukkig en gaan allemaal op dezelfde respectvolle manier
met hun kinderen en elkaar en met de dieren en planten en de aarde om[48].
Ze moeten er van dag tot dag van leven dus dat ga je niet kapot maken. Want –
voordat je misschien aan het romantiseren slaat – het VJ-bestaan is, zoals dat van hun mededieren, hachelijk. Je
weet bij het wakker worden nooit wat en óf je die dag zult eten. De natuur is
hard en kent geen mededogen. Want ze is, net als de vrije markt, slechts
een dom mechanisme. Zíj blijven er blijmoedig onder. Ze weten niet beter: zo is
het leven. Het is eten of (soms) gegeten wórden. Het is geboren worden,
voortplanten, oud worden en dood gaan. Zij tobben daar minder onder dan
verwende consumenten voor wie het eten in de supermarkt klaar ligt en die naar
de dokter kunnen als ze wat mankeren.
Zo nu hebben onze voorouders 99,5% van de tijd dat
we ze mensen (Homo) noemen, dus vanaf 2 mjg, geleefd. Zo te zijn en zo
de wereld en het samenzijn te beleven, dat zit overerfelijk in ons wezen. Dat
is – ik kan het niet vaak genoeg herhalen – onze menselijke natuur. Onze
aard. Wanneer we van nature agressief zouden zijn, zoals sommige
rechtse filosofen beweren om er hun conservatieve standpunten mee te kunnen onderbouwen,
zouden we genieten van zinloos geweld. Maar het tegendeel is waar: we raken
erdoor ontregeld en gaan radeloos in de weer met waxinelichtjes,
speelgoedbeertjes en stille tochten. We zijn van nature aardig. Waarom
doen we dan zo vaak onaardig?
In die laatste 0.5% zijn de mensen door
overpopulatie met elkaar in gevecht geraakt en zijn de mannen macht gaan
uitoefenen over de vrouwen. In die laatste 0,5 % ook zijn de vrouwen op het telen
van voedsel overgegaan, zijn de mensen in steeds definitievere behuizingen
gaan leven en hebben hun vrije VJ-bestaan vaarwel moeten zeggen. Zijn ze boeren
(AGR’s) geworden.
We zijn vanaf toen weldra in klassenmaatschappijen komen te leven, met despoten en in slavernij. Zodat we ons nu die voorouderlijke VJ-harmonie niet meer kunnen voorstellen en u in eerste instantie geneigd zult zijn deze voorstelling van de antropologen als romantisering af te doen.
De Franse missionarissen in het Canada van de tijd van Rousseau waren de eerste ‘antropologen’ van de moderne tijd die met VJ’s kennismaakten zonder ze eerst af te schieten - zoals de AGR-kolonisten veelal deden om ‘hun’ nieuwe gebieden van ‘wilden’ te ontdoen. De missionaris-brieven hebben Rousseau zijn idee van de ‘edele wilde ingegeven, dat door de latere echte antropologen is weggehoond. Maar ook die hadden – en hebben veelal nóg - een scheefgetrokken idee opgedaan. Ze deden vooral onderzoek aan Tuinbouwers, zoals de Yanomamö. Die vormen vandaag 99 % van de ‘wilden’. Maar Tuinbouwers zijn AGR’s, dus bepaald niet meer ‘edel’. Tuinbouwers zijn half-nomaden. Zijn ‘deeltijd’-VJ’s. En dat zijn ze niet uit luxe of vrije wil, maar genoodzaakt door overpopulatie van hun leefgebieden. En bij overpopulatie, teveel leefgroepen in te klein leefgebied, wordt het vechten voor de overleving. De situatie van de chimpansees.
Vechten is mannenwerk. Dat maakt mannen dus belangrijk. Dat maakt dat ze zich gaan inbeelden dat ze toch wel verrékte belangrijk zijn! veel belangrijker dan die stomme vrouwen, toch? En dat hún rituelen toch veel belangrijker zijn dan die stomme vrouwenrituelen? Ze trekken zich terug in de bossen of in ontoegankelijke grotten om daar hun draconische initiatierituelen te houden. En ze stelen de heilige fluiten van de vrouwen en spelen voortaan de baas over de religie en over de vrouwen. De geboorte van het machisme. De eerste vorm van machtsuitoefening van de ene mens over de andere.
En macht corrumpeert. Macht maakt de ikke-ikke-natuur (het meest primitieve deel dus) in ons los.
De Tuinbouwfase betekende het einde van de vreedzame en respectvolle VJ-tijd – die echter onverwoestbaar in ons genoom overleeft.
besluit
van DEEL II en oproep
Het verdere verloop van die laatste 0,5 % van ons menszijn, de overgang van Tuinbouw op Landbouw, de dorpsgemeenschappen, de overlevingsgevechten tussen de dorpen en het ontstaan van de krijgsheren, de koningen en de grote rijken; het overgaan van het veelgodendom naar het monotheïsme, dat doe ik uitgebreider in de teksten op www.mens2000.nl
Dit is maar voorbereidend ge-essayeer op het te presenteren IDEE VOOR GEMEENSCHAPSZIN, dat ik in het afsluitende DEEL III ga doen.
Maar eerst zou ik graag uw mening vernemen. Ben ik er in geslaagd om een naar uw gevoel juister beeld van onze menselijke natuur te schetsen dan u tot nu toe had?
Behalve dat het beeld dat we van de kerken altijd hebben meegekregen en dat de meeste filosofen tot hun schande nog steeds hanteren, gevoelsmatig niet klopt met wat u van uw dierbaren en van u zelf hebt – en dat geldt voor iedereen, hoor, zelfs voor de boeven in het gevang! – is het ook totaal onbruikbaar om een basisverhaal op te baseren.
Teken het
gastenboek: http://www.mens2000.nl/gastenboek
Graag reageren op de weblog.humanosofie.nl of fcouwenb@mens2000.nl
[1] het is het alternatief voor
het bijbelse Scheppingsverhaal; eerbiedwaardiger dan dat, omdat het niet ten
dienste staat aan het manipuleren van mensen ten behoeve van een collectivistisch
maatschappijsysteem en het marginaliseren van de rol van de vrouwen in de religie;
dus mag het zeker met een HOOFDLETTER
[2] een nog niet zo lang bekende
chimpansee-achtige, die leeft in de ontoegankelijke regenwouden van Congo,
precies op de evenaar
[3] Frans de Waal, etholoog
Emory-univ. Atlanta, Bonobo (1997), auteur van de voor ons Verhaal
eminent belangrijke boeken als Chimpansee politiek (Amst. 1982), Van
nature goed (Bruna, 1997) en Bonobo ( Natuur&Techniek, 1997, met
Frans Lantink)
[4] een soort verandert door
aanpassing aan een nieuwe situatie; wanneer de omgeving hetzelfde blijft,
blijven de aan die omgeving aangepaste soorten ook hetzelfde
[5] inderdaad:
VOorouder-BOnobo’s
[6] daar worden hun fossiele sporen het meest consistent gevonden
[7] dit zich terugtrekken van
het regenwoud richting evenaar geschiedde zowel vanaf de zuidpunt als over het
hele noorden van Afrika; dus ook de huidige sahara-gordel werd savanne; ook
daar hebben zich mensapen aan de nieuwe condities weten aan te passen: sahelanthropus
tchadensis bewijst het; mij lijkt
dat er ook in Marokko e.o. dergelijke vondsten gedaan kunnen worden; maar ons
Verhaal speelt in de ‘hoorn’ van Afrika; ik houd het voor mogelijk dat door de
hyperactiviteit van Louis Leakey het accent wat eenzijdig op de ‘hoorn van
Afrika’ is komen te liggen; maar het kan evengoed zijn dat de vorming van de rift
er haar bijzondere rol bij heeft gespeeld
[8] sinds de onderzoekers
nachtkijkers van het leger tot hun beschikken hebben, is het beeld van de
hyena’s én de leeuwen drastisch omgekeerd: de hyena’s zijn de jagers en worden
door de veel sterkere leeuwen van hun jachtbuit weggehouden tot die hun buik er
van vol hebben
[9] dus nu wil ik verder nooit meer iets horen over dat onze
voorouders als apen ‘uit de bomen
kwamen’ of zo, ja?!
[10] dat is 99,5 % van de tijd
dat we mensen zijn, zo gebleven: bij Verzamelaars/Jagers (VJ’s) lopen de
vrouwen bepakt en bezakt, met baby’s en al, terwijl de mannen alleen hun wapens
dragen; en zo willen de vrouwen dat zelf : anders zouden ze zich niet echt
veilig kunnen voelen
[11] International Journal of Primatology,
nov.’06 (NRC 9 dec.’06)
[12] een betekenisvolle
fysio-sociale prestatie
[13] antropologe Adriana
Hernandez-Aguilar heeft de boslandchimps van het Ugallareservaat in Tanzania
vier jaar geobserveerd en ontdekt dat ettelijke vrouwtjes daar in de regentijd
(bodem zacht) het open grasland op gaan om daar knollen uit te graven en dat ze
daar primitieve graafstokken bij gebruiken. Het artikel (Nat.Geogr.News, 13
nov.07) toont vijf van die stokken
[14] ook een geschikte schelp hebben ze ook heus niet laten liggen; en
laten we de kalebassen, struisvogeleierschalen en dierenblazen niet vergeten,
voor het transporteren van drinkwater voor de kinderen onderweg; en zo
allerhand gereedschap van vergankelijk materiaal; de wél bewaard blijvende
stenen geven een scheef beeld
[15] rechtop lopende en op de
savanne foeragerende mensapen; ook wel australopithecinen genoemd
[16] de paleoantropologen- en
biologen-benaming voor het speciale voedsel waar een bepaalde soort evolutionair voor is toegerust; op de savanne grazen
meerdere soorten door elkaar heen zonder ruzie, omdat elke soort uit is op
planten waar andere soorten geen belangstelling voor hebben
[17] voor een organisme onmisbare
eiwitten
[18] denk aan een woeste
buffelstier: begin je ook met stenen niks tegen
[19] misschien de oorzaak dat ze pas zo laat stenen zijn gaan bewerken
zoals ze dat 2,56 mjg (Kada Gona) deden; met die lange boomklimvingers sla je
je makkelijk op je fikken; het experiment van Nick Toth met bonobo Kanzi liet
zien dat Kanzi het steenbewerken wel onder de knie kreeg maar de voorkeur gaf
aan het stuksmijten van de steen voor een scherf ervan
[20] het al aangehaalde
Nat.Geogr.News artikel over de knollen uitgravende Ugalla boslandchimpvrouwtjes
heeft mij aan het denken gezet; zouden die, als ze een paar miljoen jaar tijd
van leven zouden krijgen, dan ook talig worden, zoals onze VOBO’s? Ik
betwijfel het ten zeerste. De andere aapmenssoorten deden het ook prima zonder taligheid,
zolang hen het leven niet onmogelijk gemaakt werd door de IJstijdcondities en
door onze VOBO-hooligans. Mijn nieuwe theorie is dat onze taligheid
begonnen is als een spelletje onder VOBO-meiden en dat het uitgroeide tot een
‘cultuurtje’ binnen die ene populatie
[21] mensapen gebaren sowieso al veelvuldig in hun communicatie; ze kunnen
uitstekend imiteren en doen dat graag ook, ‘na-apen’!
[22] bij mensapen en makaken zijn het altijd de jonge vrouwtjes die
nieuw gedrag ontwikkelen
[23] ja-ja, ik hoor u wel! de vervet-aapjes met hun drie
verschillende kreten voor drie verschillende gevaren, en zo; ik zal het u nog
sterker vertellen: chimpansees hebben een aparte voedselkreet voor [vlees], een
andere dus dan voor [fruit]; maar... een chimp kan deze voedselkreet alleen
maar produceren (en dan kan hij deze niet eens binnenhouden!) bij het gewaarworden
van vlees, zij kan deze kreet niet gebruiken om er de verzorger attent op te
maken dat ze zin heeft in een mals biefstukje; maar OK, het was weer een ‘professionalisering’ van wat ze al in zich
hadden
[24] voor het al zo vroeg dateren
van het vuurgebruik beroep ik mij op de onderzoeken van o.a. Ralph
Rowlett van de Universiteit van Missouri, Columbia. Doe hem de groeten van me,
als je hem mailt
[25] dit inherente verlies van respect voor het benoemde maakt dat je bij
primitieve volkjes een volwassene nooit met zijn naam mag noemen; met
een naam ‘grijp’ je iemand of iets immers; vandaar het woord ‘begrijpen’
van de dingen; maar het is ook een aantasting van de integriteit van de of het
benoemde
[26] snap je nu waardoor wij ‘de naakte aap’ zijn geworden?
[27] waarom doen de paleo’s en filosofen en taalkundigen zo moeilijk
over BEWUSTZIJN? simpele zaak, toch? Zie anders mijn tekst “Over het ontstaan
van ons taalvermogen en ons bewustzijn” op www.mens2000.nl
[28] mensapen hebben geen neurologische
controle over hun stem; nog minder dan wij wanneer we onverwacht ons heel erg
bezeren, of schrikken, of anderszins emotioneel de bewuste controle verliezen
over onze uitingen
[29] waar ze wel neocortikaal,
dus bewust, controle over hadden; ik laat er zo dadelijk een plaatje van zien
[30] daar draag ik in mijn andere
teksten twee op hun fysiek gebaseerde argumenten voor aan
[31] nee, ik heb het nu niet over
die NT’s: die zijn onze voorouders niet geweest; onze naaste voorouders waren
de tijdgenoten van de NT’s in Afrika
[32] in het kader van de trend tot verkleining van de afstand tussen
ons en onze mededieren (zie het succes van de PvdD) worden de mensapen al niet
meer tot de gewone dieren gerekend maar als een vroege mensensoort gezien – ga
ik niet in mee, nog veel te vroeg; we moeten er eerst in slagen om onze
medemensen als mensen te zien; daar doe ik het allemaal voor
[33] in feite dus een virtuele
wereld; doordat de VOAP’s hun wereld mentaal in symbolen gingen beleven;
Lacan, een Franse filosoof en psychoanalyticus, heeft ook al gesteld dat wij
door het gebruik van taal een niet-fysiek beeld van de werkelijkheid scheppen
en dus in feite de werkelijkheid ontstijgen
[34] je snapt dat ‘ding’ bij mij,
net als bij Kant (mijn eigendunk mag er in elk geval wezen) een filosofisch
begrip is
[35] ja-ja, ook voor velen van
ons nog heel herkenbaar
[36] van de aboriginals is bekend dat ze totaal moedeloos zijn
en alleen nog maar willen drinken en snuiven: hun wereld bestaat niet meer dus
voor hen is voortbestaan ook zinloos geworden
[37] ik denk voor mezelf aan de Mattheuspassion
[38] ons taalvermogen is met de
uitbreiding van de mensapenlijke lichaamstaal van de VOBO’s, dus zeg maar
vanuit het niets, begonnen; pas 2 mjg zijn ze er blijk van gaan geven door het vuur
te gaan gebruiken; zeker 3 miljoen (!) jaar hebben ze er over
gedaan om het van niets tot een beetje te ontwikkelen! hou je als vrije
markt-mens toch niet voor mogelijk?
[39] mag ik hier nog een anekdote
vertellen? Ik woonde sept. 2004 de Neandertal Convention in Tongeren
bij; onvergetelijk om al die grote paleo’s in levende lijve te ontmoeten [weet
je wie ik daar ook over mijn project heb ‘doorgezaagd’? Jane Auel, weet je wel,
die van De stam van de holenbeer: was er ook] ; ter afsluiting bezochten
we een drietal NT-sites; in één ervan
wees de woordvoerende paleo op twee lagen waarin NT-kampplekken, met vuur
en stenen werktuigen en zo, waren gevonden; de oudste laag was van 130.000 jg
(Eemien) en de jongste 34,500 jg; op de vraag: is er verschil in
steenbewerkingstechniek te zien (in die bijna 100.000 jaar!)? was het antwoord:
nee, geen enkel verschil
[40] dat maakt het volgen van hun
verbreiding niet makkelijk; vandaar dat er een al decennia lang spelende
controverse is tussen de paleo’s wat betreft het ontstaan van onze huidige
mensensoort: de Anatomisch Moderne Mens (de AMM’s; ook wel aangeduid met
de vreselijke benaming Homo sapiens , de ‘wetende’ mens --- alsof hun
voorgeslacht ‘niet-wetend’ zou zijn geweest! ). De controverse tussen de Out of Africa-theorie (dat de
AMM’s in Afrika ontstaan zijn uit de HE’s aldaar) en de regionale theorie (dat ze zich ook elders uit
HE-populaties hebben ontwikkeld). Ik
zie wel waar het paleo- schip strandt.
[41] de schatting van 10.000
overlevenden van die ramp (als totale wereldbevolking van de toenmalige
mensachtigen) wordt nog ruim geacht
[42] de Grote Voorouder was nooit
een man; ook geen vrouw en dat klopt: Hij was een groep! Hij was pertinent
geslachtsloos, en half mens/half dier; Hij kon zich door de lucht of onder de
grond door voortbewegen
[43] hun stamgebied; daarbuiten
hield de wereld op; als ze ooit wezens ontmoetten uit die buitenwereld, waren
dat geen mensen: die konden nog niet eens praten! alleen onverstaanbaar
brabbelen; maar ze konden wel, door de groep geadopteerd, mensen wórden,
naarmate ze beter leerden ‘praten’ (gelukkig, voor de onderzoekers!)
[44] zoals veel consumenten dat
naar de televisie-series doen (geloof ik – zelf leef ik televisie-loos)
[45] onze voorouders zijn 99,5 % van
de tijd dat ze mensen zijn, VJ’s geweest: Verzamelaar/Jagers; maar vanaf
misschien 20.000 jg zijn van sommige populaties de vrouwen ook voedselplanten
gaan telen, althans sommige plantensoorten; lieten ze hun mannen op een
bepaalde plek wat bomen om hakken en het struikgewas wegkappen, wat dan in
brand gestoken werd; op die open plek
teelden de vrouwen sommige planten; na twee jaar was de plek onvruchtbaar
geworden, lieten ze hem voor wat hij was en gingen ze hetzelfde elders doen;
dat is Tuinbouw, overgangsfase naar landbouw en veelteelt; ik krijg het er nog
over
[46] Napoleon Chagnon Yanomamö,
The Fierce People, (3e ed. N.Y. 1983)
[47] onderstreping van mij [FC]
[48] let wel: ik heb het over
VJ’s – verreweg de meeste primitieve stammen zijn AGR’s: kennen al enigerlei
vorm van tuinbouw; dus (meestal) ook oorlogvoering en vrouwenonderdrukking;
gruwelijke voorbeelden zijn de Yanomamö en vooral de Berg-Papoea’s. Al wat
primitief is, hoeft geen VJ meer te zijn! Die tuinbouw-volkjes laten heel goed
de overgang van VJ naar AGR zien.